Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

2 Samuël Hoofdstuk 13

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
2 SAMUËL

2 Samuël 13

1Enige tijd later gebeurde het volgende. Absalom, een zoon van David, had een zuster, een knap meisje, dat Tamar heette en op wie Amnon, een andere zoon van David, verliefd werd.
2 Samuël 3:2, 2 Samuël 3:3, 1 Kronieken 3:9, 2 Samuël 3:2, 2 Samuël 3:3
2Tot ziekwordens toe tobde Amnon zich af over zijn zuster Tamar; want daar zij ongehuwd was, zag Amnon geen kans, haar ook maar iets te doen.
2 Korintiërs 7:10, 1 Koningen 21:4, Hooglied 5:8, 2 Korintiërs 7:10, 1 Koningen 21:4
3Nu had Amnon een vriend, die Jonadab heette, een zoon van Sjima, den broer van David; deze Jonadab was een geslepen mens.
1 Samuël 16:9, 1 Samuël 16:9, 1 Korintiërs 3:19, 1 Korintiërs 3:19, Genesis 38:20
4Hij vroeg hem: Prins, waarom ziet gij er met de dag ellendiger uit? Wilt ge het me niet vertellen? Amnon bekende hem: Ik ben verliefd op Tamar, de zuster van mijn broer Absalom.
Esther 5:13, Esther 5:14, Lucas 12:32, Jeremia 8:12, Leviticus 20:17
5Jonadab gaf hem de raad: Dan moet ge op bed blijven en u ziek houden; en als uw vader u komt bezoeken, zeg dan tegen hem: Kon mijn zuster Tamar maar komen, en mij iets te eten geven! Als ze het eten voor mijn ogen klaar wilde maken, zodat ik het zien kon, zou ik het van haar wel opeten.
Marcus 6:24, Marcus 6:25, Marcus 6:24, Marcus 6:25, 2 Samuël 16:21
6Amnon bleef dus te bed, en hield zich ziek. En toen de koning hem kwam bezoeken, zeide Amnon tot hem: Kon mijn zuster Tamar maar komen, en voor mijn ogen een paar koeken bakken; dan zou ik ze wel opeten.
Genesis 18:6, Genesis 18:6, Mattheüs 13:33, Mattheüs 13:33
7Daarom zond David iemand naar huis, om aan Tamar te zeggen: Ga eens naar de woning van uw broer Amnon, om hem wat eten klaar te maken.
8Tamar ging dus naar de woning van haar broer Amnon, waar deze te bed lag. Zij nam deeg, kneedde het, maakte er voor zijn ogen koeken van, en bakte ze;
9vervolgens nam zij de plaat en goot de koeken voor hem uit de vorm. Maar Amnon wilde niet eten en zeide: Stuurt iedereen weg. Toen allen van hem waren heengegaan,
Genesis 45:1, Genesis 45:1, Richteren 3:19, Johannes 3:20, Richteren 3:19
10zeide Amnon tot Tamar: Breng het eten nu maar hier in de kamer, dan eet ik het wel van u op. En Tamar nam de koeken, die ze had klaargemaakt, en bracht ze bij haar broer Amnon in de kamer.
11Maar toen ze hem het eten aanreikte, greep hij haar vast en zeide tot haar: Zuster, kom bij me liggen.
Genesis 39:11, Genesis 39:12, Genesis 39:11, Genesis 39:12
12Zij antwoordde hem: Neen broer, onteer me niet; zo iets doet men in Israël niet. Doe toch niet zo iets schandelijks!
Richteren 19:23, Richteren 20:6, Leviticus 20:17, Richteren 19:23, Richteren 20:6
13Ik zou niet weten, waar ik met mijn schande heen moest, en gij zoudt in Israël als de eerste de beste dwaas bekend staan. Spreek liever eens met den koning; hij zal me aan u niet weigeren.
Genesis 19:8, Richteren 19:24, Genesis 20:12, Genesis 19:8, Richteren 19:24
14Maar hij wilde niet naar haar luisteren; hij overmande en verkrachtte haar, en had gemeenschap met haar.
2 Samuël 12:11, 2 Samuël 12:11, Richteren 20:5, Deuteronomium 22:25, Deuteronomium 22:27
15Maar nu kreeg Amnon plotseling een geweldige afkeer van haar; ja, de afkeer, die hij van haar kreeg, was nog sterker dan de liefde, waarmede hij haar had bemind. Daarom zeide hij haar: Vooruit; maak, dat ge weg komt.
Ezechiël 23:17, Ezechiël 23:17
16Zij sprak tot hem: Maar broer dan toch; mij weg te jagen zou nog groter kwaad zijn dan het andere, dat ge mij hebt aangedaan. Maar hij wilde niet naar haar luisteren.
17Hij riep zijn oppasser en beval: Zet dat schepsel op straat, en doe de deur achter haar dicht.
18En ofschoon ze het kleurig gewaad aan had, waarmede van oudsher de ongehuwde prinsessen waren gekleed, zette zijn oppasser haar het huis uit en deed de deur achter haar dicht.
Richteren 5:30, Genesis 37:3, Richteren 5:30, Genesis 37:3, Genesis 37:32
19Toen strooide Tamar stof op haar hoofd, scheurde het kleurig gewaad, dat ze aan had, vaneen, sloeg de hand op haar hoofd, en ging schreiend heen.
Jeremia 2:37, Jozua 7:6, Jeremia 2:37, Jozua 7:6, 2 Samuël 1:11
20Haar broer Absalom zeide tot haar: Is uw broer Amnon u te na gekomen? Zwijg er maar over, zuster; het blijft uw broer. Trek u die geschiedenis maar niet te veel aan! Zo bleef Tamar als een verstoten vrouw in het huis van haar broer Absalom.
Genesis 34:2, Genesis 46:15, Romeinen 12:19, Spreuken 26:24, Genesis 34:2
21Toen koning David heel die geschiedenis vernam, werd hij wel erg kwaad, maar wilde toch zijn zoon Amnon niets doen, omdat hij zijn eerstgeborene was, en hij veel van hem hield.
Genesis 34:7, Genesis 34:7, 1 Samuël 2:29, 1 Samuël 2:22, 1 Samuël 2:25
22Maar Absalom sprak geen woord meer tegen Amnon, goed noch kwaad; hij haatte Amnon, omdat hij zijn zuster onteerd had.
Leviticus 19:17, Leviticus 19:18, Genesis 31:24, Leviticus 19:17, Leviticus 19:18
23Twee jaar later, toen bij Absalom de schapen werden geschoren in Báal-Chasor nabij Efraïm, nodigde hij alle prinsen daarbij uit.
Genesis 38:12, Genesis 38:13, 1 Samuël 25:4, Genesis 38:12, Genesis 38:13
24Hij kwam dus bij den koning en zeide: Gij weet, dat bij uw dienaar de schapen worden geschoren; moge nu de koning en zijn hof met uw dienaar meegaan.
Jeremia 41:6, Jeremia 41:7, 2 Samuël 11:8, 2 Samuël 11:15, Psalmen 12:2
25Maar de koning zeide tot Absalom: Neen, mijn jongen; laat ons maar niet allen meegaan, om u geen overlast te bezorgen. En hoe hij ook bij hem aandrong, hij wilde niet mee. Toen hij Absalom dan goede reis had gewenst.
Genesis 19:2, Genesis 19:3, Lucas 14:23, Lucas 24:29, Richteren 19:7
26zeide deze: Laat dan tenminste mijn broer Amnon met ons meegaan. De koning antwoordde: Waarom zou hij met u meegaan?
2 Samuël 20:9, Psalmen 55:21, 2 Samuël 11:13, 2 Samuël 11:15, 2 Samuël 3:27
27Toch liet hij, toen Absalom bij hem aandrong, Amnon en alle prinsen met hem vertrekken.
Spreuken 26:24, Spreuken 26:26, Spreuken 26:24, Spreuken 26:26
28Absalom richtte nu een vorstelijke maaltijd aan, maar hij gaf zijn dienaren het bevel: Let op; als Amnon vrolijk wordt van de wijn, en ik zeg u: "Slaat Amnon neer", dan moet gij hem doodslaan. Weest maar niet bang; ik ben het immers, die u het bevel geef. Houdt u dus goed en weest flink.
Richteren 19:6, Richteren 19:6, Richteren 19:9, Richteren 19:22, Richteren 19:9
29Toen nu Absaloms dienaren met Amnon deden, zoals Absalom bevolen had, sprongen alle prinsen overeind, bestegen hun muildieren en sloegen op de vlucht.
1 Koningen 1:33, 2 Samuël 18:9, 1 Koningen 1:33, 2 Samuël 18:9, Genesis 36:24
30Terwijl ze nog onderweg waren, drong het gerucht tot David door: Absalom heeft alle prinsen vermoord; niet één is er in leven gebleven!
31De koning sprong op, scheurde zijn klederen en legde zich neer op de grond; ook al de dienaren, die om hem heen stonden, scheurden hun klederen.
2 Samuël 12:16, 2 Samuël 1:11, 2 Samuël 12:16, 2 Samuël 1:11, Jozua 7:6
32Maar Jonadab, de zoon van Sjima, Davids broer, nam het woord en zeide: Laat mijn heer en koning niet zeggen, dat ze alle prinsen hebben vermoord; want alleen Amnon is dood. Dat was op het gezicht van Absalom te lezen, sinds de dag, dat zijn zuster Tamar onteerd werd.
Psalmen 7:14, Genesis 27:41, 2 Samuël 13:3, 1 Samuël 16:9, Spreuken 24:11
33Mijn heer en koning moet zich niet ongerust maken en denken, dat alle prinsen zijn vermoord; alleen Amnon is dood,
2 Samuël 19:19, 2 Samuël 19:19
34en Absalom zal wel gevlucht zijn. Een knecht, die op de uitkijk stond, sloeg zijn ogen op, en daar zag hij een massa volk op de weg naar Choronáim de berg afkomen. Hij kwam het den koning berichten en zeide: Ik heb mannen op de weg naar Choronáim gezien.
2 Samuël 13:37, 2 Samuël 13:38, Genesis 4:8, Genesis 4:14, Amos 5:19
35Toen zeide Jonadab tot den koning: Dat zullen de prinsen zijn; het komt precies uit, zoals uw dienaar gezegd heeft.
36Nauwelijks had hij uitgesproken, of daar kwamen de prinsen, die luid begonnen te wenen. Ook de koning en heel zijn hof begonnen hardop te schreien.
2 Samuël 13:15, 2 Samuël 18:33, 2 Samuël 12:21, 2 Samuël 13:15, 2 Samuël 18:33
37Absalom had intussen de vlucht genomen en zich begeven naar Talmai, den zoon van Ammichoer en koning van Gesjoer; al die tijd treurde de koning over zijn zoon.
2 Samuël 3:3, 2 Samuël 3:3, 2 Samuël 14:32, 1 Kronieken 3:2, 2 Samuël 13:34
38Maar toen Absalom drie jaar in Gesjoer vertoefd had, waarheen hij de vlucht had genomen,
2 Samuël 14:23, 2 Samuël 14:32, 2 Samuël 15:8, 2 Samuël 14:23, 2 Samuël 14:32
39was de koning niet langer op Absalom vergramd, daar hij zich met de dood van Amnon had verzoend.
Genesis 24:67, Genesis 24:67, Genesis 37:35, Genesis 38:12, Genesis 37:35

Andere Boeken

2 Samuël1 Koningen2 Koningen+

Andere Boeken

2 SamuëlHfst. 13
1 Koningen2 Koningen1 Kronieken2 KroniekenEzra
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward