Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Numeri Hoofdstuk 14

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
NUMERI

Numeri 14

1Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.
Deuteronomium 1:45, Deuteronomium 1:45, Numeri 11:1, Numeri 11:4, Numeri 11:1
2En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!
Exodus 15:24, Exodus 15:24, Numeri 16:41, Exodus 17:3, Numeri 16:41
3En waarom brengt ons de Heere naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?
Numeri 14:31, Numeri 14:32, Numeri 14:31, Numeri 14:32, Jeremia 9:3
4En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!
Handelingen 7:39, Handelingen 7:39, Nehemia 9:16, Nehemia 9:17, Nehemia 9:16
5Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israëls.
Numeri 16:4, Numeri 16:4, Numeri 16:22, Numeri 16:22, Numeri 16:45
6En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.
Numeri 13:30, Numeri 14:30, Numeri 13:30, Numeri 14:30, Genesis 37:34
7En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.
Numeri 13:27, Numeri 13:27, Deuteronomium 1:25, Deuteronomium 1:25, Deuteronomium 6:10
8Indiën de Heere een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.
2 Samuël 22:20, 2 Samuël 22:20, Jesaja 62:4, Numeri 13:27, Jesaja 62:4
9Alleen zijt tegen den Heere niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de Heere is met ons; vreest hen niet!
Deuteronomium 7:18, Deuteronomium 7:18, Romeinen 8:31, Deuteronomium 31:6, Romeinen 8:31
10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des Heeren verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israëls.
Exodus 17:4, Exodus 17:4, Leviticus 9:23, Leviticus 9:23, Exodus 16:10
11En de Heere zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?
Psalmen 78:32, Psalmen 106:24, Psalmen 78:32, Psalmen 106:24, Psalmen 78:22
12Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.
Exodus 32:10, Exodus 32:10, Numeri 16:46, Numeri 16:49, 2 Samuël 24:12
13En Mozes zeide tot den Heere: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;
Psalmen 106:23, Psalmen 106:23, Ezechiël 20:9, Exodus 32:11, Exodus 32:14
14En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, Heere! in het midden van dit volk zijt; dat Gij, Heere! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.
Exodus 15:14, Exodus 15:14, Exodus 13:21, Exodus 13:22, Deuteronomium 5:4
15En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:
Richteren 6:16, Richteren 6:16
16Omdat de Heere dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!
Deuteronomium 9:28, Deuteronomium 9:28, Jozua 7:9, Jozua 7:9, Jozua 7:7
17Nu dan, laat toch de kracht des Heeren groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:
Mattheüs 9:8, Micha 3:8, Mattheüs 9:6, Mattheüs 9:8, Micha 3:8
18De Heere is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.
Exodus 34:6, Exodus 34:7, Exodus 34:6, Exodus 34:7, Psalmen 145:8
19Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!
Exodus 34:9, Exodus 34:9, Psalmen 78:38, Psalmen 78:38, Psalmen 106:45
20En de Heere zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.
Micha 7:18, Micha 7:20, Micha 7:18, Micha 7:20, Psalmen 106:23
21Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des Heeren vervuld worden!
Habakuk 2:14, Habakuk 2:14, Psalmen 72:19, Psalmen 72:19, Jesaja 6:3
22Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;
Job 19:3, Job 19:3, Genesis 31:7, Hebreeën 3:17, Hebreeën 3:18
23Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
Numeri 32:11, Numeri 32:11, Numeri 26:64, Numeri 26:64, Ezechiël 20:15
24Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
Numeri 14:6, Numeri 14:9, Numeri 14:6, Numeri 14:9, Jozua 14:6
25De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee.
Deuteronomium 1:40, Deuteronomium 1:40, Numeri 13:29, Numeri 13:29, Spreuken 1:31
26Daarna sprak de Heere tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
27Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israëls, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.
Exodus 16:12, Exodus 16:12, 1 Korintiërs 10:10, 1 Korintiërs 10:10, Exodus 16:28
28Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!
Numeri 14:21, Numeri 14:21, Hebreeën 3:17, Hebreeën 3:17, Numeri 26:64
29Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.
Numeri 1:45, Numeri 1:45, Numeri 26:64, Hebreeën 3:17, Numeri 26:64
30Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
Numeri 14:38, Deuteronomium 1:36, Deuteronomium 1:38, Genesis 14:22, Numeri 26:65
31En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.
Deuteronomium 1:39, Deuteronomium 1:39, Psalmen 106:24, Psalmen 106:24, Numeri 26:64
32Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!
1 Korintiërs 10:5, 1 Korintiërs 10:5, Numeri 14:29, Numeri 14:29, Hebreeën 3:17
33En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.
Ezechiël 23:35, Numeri 32:13, Ezechiël 23:35, Numeri 32:13, Deuteronomium 2:14
34Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.
Ezechiël 4:6, Ezechiël 4:6, Numeri 13:25, Numeri 13:25, Jeremia 18:9
35Ik, de Heere, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!
Numeri 23:19, Numeri 23:19, 1 Korintiërs 10:5, 1 Korintiërs 10:5, Numeri 26:65
36En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren , een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;
Numeri 13:31, Numeri 13:33, Numeri 13:31, Numeri 13:33, Numeri 13:4
37Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des Heeren.
1 Korintiërs 10:10, Numeri 16:49, 1 Korintiërs 10:10, Numeri 16:49, Hebreeën 3:17
38Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.
Numeri 26:65, Jozua 14:6, Jozua 14:10, Numeri 26:65, Jozua 14:6
39En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israëls. Toen treurde het volk zeer.
Exodus 33:4, Exodus 33:4, Spreuken 19:3, Mattheüs 8:12, Hebreeën 12:17
40En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de Heere gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!
Deuteronomium 1:41, Deuteronomium 1:41, Mattheüs 7:21, Mattheüs 7:23, Lucas 13:25
41Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des Heeren? Want dat zal geen voorspoed hebben.
2 Kronieken 24:20, 2 Kronieken 24:20, Jeremia 32:5, Job 4:9, Jeremia 2:37
42Trekt niet op, want de Heere zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.
Deuteronomium 1:42, Deuteronomium 1:42, Jozua 7:8, Jozua 7:12, Jozua 7:8
43Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den Heere, zo zal de Heere met u niet zijn.
2 Kronieken 15:2, Numeri 14:25, Numeri 13:29, 2 Kronieken 15:2, Numeri 14:25
44Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des Heeren en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.
Deuteronomium 1:43, Deuteronomium 1:43, 1 Samuël 4:3, 1 Samuël 4:11, 1 Samuël 4:3
45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.
Numeri 21:3, Numeri 21:3, Deuteronomium 1:44, Richteren 1:17, Deuteronomium 1:44

Andere Boeken

NumeriDeuteronomiumJozua+

Andere Boeken

NumeriHfst. 14
DeuteronomiumJozuaRichterenRuth1 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward