Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Leviticus Hoofdstuk 11

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
LEVITICUS

Leviticus 11

1En de Heere sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen:
2Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
Leviticus 11:11, Hebreeën 9:10, Mattheüs 15:11, Leviticus 11:11, Hebreeën 9:10
3Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.
2 Korintiërs 6:17, 2 Korintiërs 6:17, Psalmen 1:1, Psalmen 1:2, Deuteronomium 6:6
4Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
5En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;
Spreuken 30:26, Psalmen 104:18, Spreuken 30:26, Psalmen 104:18, Mattheüs 7:26
6En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.
Deuteronomium 14:7, Deuteronomium 14:7
7Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
Jesaja 66:3, Jesaja 65:4, Jesaja 66:17, Deuteronomium 14:8, Jesaja 66:3
8Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.
Jesaja 52:11, Leviticus 5:2, Kolossenzen 2:16, Hosea 9:3, Hebreeën 9:10
9Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;
Handelingen 20:21, Deuteronomium 14:9, Deuteronomium 14:10, Galaten 5:6, Jakobus 2:18
10Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Spreuken 29:27, Leviticus 7:18, Spreuken 29:27, Leviticus 7:18, Deuteronomium 14:3
11Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.
12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
Titus 3:3, Romeinen 3:13, Romeinen 3:17, Job 39:27, Job 39:30
14En de gier, en de kraai, naar haar aard;
15Alle rave naar haar aard;
Lucas 12:24, Lucas 12:24, Genesis 8:7, 1 Koningen 17:4, Spreuken 30:17
16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
Jesaja 34:11, Jesaja 34:15, Deuteronomium 14:15, Deuteronomium 14:18, Johannes 3:19
17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
Judas 1:19, 2 Timotheüs 4:10, Leviticus 11:23, Filippenzen 3:18, Filippenzen 3:19
21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
22Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
Marcus 1:6, Mattheüs 3:4, Marcus 1:6, Mattheüs 3:4, Exodus 10:4
23En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
24En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Jesaja 22:14, 1 Johannes 1:7, 1 Korintiërs 15:33, Kolossenzen 2:16, Kolossenzen 2:17
25Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Numeri 31:24, Leviticus 11:40, Leviticus 15:5, Leviticus 14:8, Numeri 31:24
26Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.
27En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Leviticus 11:20, Leviticus 11:23, Leviticus 11:20, Leviticus 11:23
28Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.
Leviticus 11:24, Leviticus 11:25, Leviticus 11:24, Leviticus 11:25
29Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;
Leviticus 11:41, Leviticus 11:42, Leviticus 11:41, Leviticus 11:42, Psalmen 17:13
30En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;
31Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.
Leviticus 11:24, Leviticus 11:25, Leviticus 11:8, Leviticus 11:24, Leviticus 11:25
32Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.
Leviticus 15:12, Leviticus 15:12, Titus 3:5, Titus 3:5, Titus 2:14
33En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.
Leviticus 6:28, Leviticus 15:12, Leviticus 6:28, Leviticus 15:12, Jeremia 48:38
34Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.
Titus 1:15, Spreuken 15:8, Spreuken 21:27, Spreuken 21:4, Spreuken 28:8
35En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.
2 Korintiërs 5:1, 2 Korintiërs 5:7, Leviticus 11:33, Leviticus 6:28, Leviticus 15:12
36Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.
Johannes 4:14, Zacharia 13:1, Johannes 4:14, Zacharia 13:1
37En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.
1 Korintiërs 15:37, 1 Johannes 3:9, 1 Petrus 1:23, 1 Johannes 5:18, 1 Korintiërs 15:37
38Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.
39En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Leviticus 15:7, Numeri 19:16, Numeri 19:11, Leviticus 15:5, Leviticus 11:24
40Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Leviticus 22:8, Ezechiël 44:31, Leviticus 22:8, Ezechiël 44:31, Deuteronomium 14:21
41Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.
Leviticus 11:29, Leviticus 11:29, Leviticus 11:23, Leviticus 11:20, Leviticus 11:23
42Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.
Jesaja 65:25, 2 Korintiërs 11:3, Titus 1:12, Johannes 8:44, Mattheüs 23:23
43Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.
Leviticus 20:25, Leviticus 20:25, Leviticus 11:41, Leviticus 11:42, Leviticus 11:41
44Want Ik ben de Heere, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
Exodus 20:2, Exodus 20:2, 1 Petrus 1:15, 1 Petrus 1:16, Leviticus 19:2
45Want Ik ben de Heere, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.
Leviticus 11:44, Leviticus 11:44, Exodus 20:2, Exodus 20:2, Exodus 6:7
46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;
Leviticus 7:37, Leviticus 14:54, Ezechiël 43:12, Leviticus 15:32, Leviticus 7:37
47Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.
Leviticus 10:10, Leviticus 10:10, Ezechiël 44:23, Ezechiël 44:23, Romeinen 14:13

Andere Boeken

LeviticusNumeriDeuteronomium+

Andere Boeken

LeviticusHfst. 11
NumeriDeuteronomiumJozuaRichterenRuth
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward