Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

2 Samuël Hoofdstuk 3

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
2 SAMUËL

2 Samuël 3

1En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Doch David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker.
1 Koningen 14:30, 1 Koningen 14:30, 2 Samuël 2:17, Job 8:7, Spreuken 4:18
2En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische;
1 Kronieken 3:1, 1 Kronieken 3:4, 1 Kronieken 3:1, 1 Kronieken 3:4, Genesis 49:3
3En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
1 Samuël 27:8, 1 Samuël 27:8, 1 Kronieken 3:1, 1 Kronieken 3:1, 1 Samuël 25:3
4En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;
1 Koningen 1:5, 1 Koningen 1:18, 1 Koningen 2:13, 1 Koningen 2:25, 1 Koningen 1:5
5En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron.
6Terwijl die krijg was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo geschiedde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul.
2 Samuël 2:8, 2 Samuël 2:9, 2 Samuël 2:8, 2 Samuël 2:9, Joël 3:9
7Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isboseth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf?
2 Samuël 21:8, 2 Samuël 21:11, 2 Samuël 21:8, 2 Samuël 21:11, 2 Samuël 16:21
8Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broederen en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid ener vrouw?
2 Samuël 9:8, 2 Samuël 9:8, 2 Samuël 16:9, 2 Samuël 16:9, Marcus 6:18
9God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als de Heere aan David gezworen heeft, dat ik even alzo aan hem zal doen.
1 Samuël 15:28, 1 Samuël 15:28, 1 Koningen 19:2, 1 Koningen 19:2, 1 Kronieken 12:23
10Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende den stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe.
1 Samuël 3:20, Richteren 20:1, 1 Samuël 3:20, Richteren 20:1, 2 Samuël 24:2
11En hij kon Abner verder niet een woord antwoorden, omdat hij hem vreesde.
12Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om gans Israël tot u om te keren.
1 Kronieken 12:38, 1 Kronieken 12:40, 1 Kronieken 12:38, 1 Kronieken 12:40, 2 Samuël 5:1
13En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch een ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als gij komt om mijn aangezicht te zien.
Genesis 43:3, Genesis 43:3, Genesis 44:26, 1 Samuël 19:11, 1 Samuël 19:17
14Ook zond David boden tot Isboseth, den zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb.
1 Samuël 18:27, 1 Samuël 18:27, 1 Samuël 18:25, 1 Samuël 18:25, 2 Samuël 2:10
15Isboseth dan zond heen, en nam haar van den man, van Paltiel, den zoon van Lais.
1 Samuël 25:44, 1 Samuël 25:44
16En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder.
2 Samuël 19:16, 2 Samuël 16:5, 2 Samuël 19:16, 2 Samuël 16:5, 2 Samuël 17:18
17Abner nu had woorden met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot een koning over u begeerd.
18Zo doet het nu; want de Heere heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.
1 Samuël 15:28, 1 Samuël 15:28, Psalmen 89:19, Psalmen 89:23, Psalmen 89:19
19En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Voorts ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het ganse huis van Benjamin.
1 Kronieken 12:29, 1 Kronieken 12:29, 1 Samuël 10:20, 1 Samuël 10:21, 1 Samuël 10:20
20En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en den mannen, die met hem waren, een maaltijd.
Genesis 31:54, Genesis 26:30, Esther 1:3, Genesis 31:54, Genesis 26:30
21Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen gans Israël tot mijn heer, den koning, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles, wat uw ziel begeert. Alzo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.
1 Koningen 11:37, 2 Samuël 3:12, 1 Koningen 11:37, 2 Samuël 3:12, 2 Samuël 3:10
22En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een groten roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede.
23Als nu Joab en het ganse heir, dat met hem was, aankwamen, zo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot den koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede.
24Toen ging Joab tot den koning in, en zeide: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom nu hebt gij hem laten gaan, dat hij zo vrij is weggegaan?
Johannes 18:35, 2 Samuël 3:8, Numeri 23:11, 2 Samuël 19:5, 2 Samuël 19:7
25Gij kent Abner, den zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uw uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat gij doet.
Jesaja 37:28, Deuteronomium 28:6, Jesaja 37:28, Deuteronomium 28:6, 1 Samuël 29:4
26En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van den bornput van Sira; maar David wist het niet.
Spreuken 27:4, Spreuken 27:6, Spreuken 26:23, Spreuken 26:26, Spreuken 27:4
27Als nu Abner weder te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde rib, dat hij stierf, om des bloeds wil van zijn broeder Asahel.
2 Samuël 20:9, 2 Samuël 20:10, 1 Koningen 2:5, 2 Samuël 20:9, 2 Samuël 20:10
28Als David dat daarna hoorde, zo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij den Heere, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, den zoon van Ner.
Numeri 35:33, Numeri 35:33, Genesis 4:10, Exodus 21:12, Genesis 9:6
29Het blijve op het hoofd van Joab, en op het ganse huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan den stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe!
2 Samuël 1:16, Psalmen 109:8, Psalmen 109:19, 2 Samuël 1:16, Psalmen 109:8
30Alzo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broeder Asahel te Gibeon in den strijd gedood had.
2 Samuël 2:19, 2 Samuël 2:23, Spreuken 28:17, Handelingen 28:4, 2 Samuël 2:19
31David dan zeide tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw klederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de koning David ging achter de baar.
Genesis 37:34, Genesis 37:34, 2 Samuël 1:11, Richteren 11:35, Jozua 7:6
32Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk.
Spreuken 24:17, Spreuken 24:17, Job 31:28, Job 31:28, 2 Samuël 18:33
33En de koning maakte een klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft?
2 Kronieken 35:25, Lucas 12:19, Lucas 12:20, 2 Samuël 13:12, 2 Samuël 13:13
34Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.
Richteren 16:21, Job 24:14, 2 Samuël 1:12, Psalmen 107:10, Psalmen 107:11
35Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, indien ik voor het ondergaan der zon brood of iets smake!
2 Samuël 12:17, 2 Samuël 1:12, 2 Samuël 12:17, 2 Samuël 1:12, Jeremia 16:7
36Als al het volk dit vernam, zo was het goed in hun ogen, alles, zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen van het ganse volk.
Psalmen 62:9, Marcus 7:37, 2 Samuël 15:6, Marcus 15:11, Marcus 15:13
37En al het volk en gans Israël merkten te dienzelven dage, dat het van den koning niet was, dat men Abner, den zoon van Ner, gedood had.
38Voorts zeide de koning tot zijn knechten: Weet gij niet, dat te dezen dage een vorst, ja, een grote in Israël gevallen is?
Job 32:9, 1 Samuël 14:50, 1 Samuël 14:51, 2 Samuël 2:8, 2 Samuël 3:12
39Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; de Heere zal den boosdoener vergelden naar zijn boosheid.
Psalmen 101:8, Psalmen 28:4, 1 Koningen 2:33, 1 Koningen 2:34, Psalmen 101:8

Andere Boeken

2 Samuël1 Koningen2 Koningen+

Andere Boeken

2 SamuëlHfst. 3
1 Koningen2 Koningen1 Kronieken2 KroniekenEzra
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward