1had ik in de maand Nisan van het twintigste jaar van koning Artaxerxes de zorg voor de wijn; ik bracht hem den koning, en reikte hem over. Maar nog nooit was ik zo droevig geweest.stylusEzra 7:1, Ezra 7:1, Nehemia 1:11, Nehemia 1:11, Nehemia 1:12De koning zei dus tot mij: Waarom kijkt ge zo treurig; ge zijt toch niet ziek? Dat kan niet anders dan harteleed zijn. Ik begon te rillen van angst,stylusSpreuken 15:13, Spreuken 15:13, Genesis 40:7, Genesis 40:73en sprak tot den koning: De koning leve voor eeuwig! Hoe zou ik niet treuren, daar de stad ligt verwoest, waar de graven van mijn vaderen zijn, en daar haar poorten door het vuur zijn verteerd?stylusNehemia 1:3, Nehemia 1:3, Daniël 2:4, 1 Koningen 1:31, Daniël 2:44De koning antwoordde mij: Wat zoudt ge dan willen? Ik bad tot den God des hemels,stylusNehemia 1:4, Spreuken 3:6, Nehemia 1:4, Spreuken 3:6, Filippenzen 4:65en sprak tot den koning: Zo het den koning behaagt, en gij uw dienaar daartoe geschikt acht, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen, waar de graven van mijn vaderen zijn.stylusEzra 5:17, Ezra 5:17, Esther 7:3, Ruth 2:13, Spreuken 3:46De koning en zijn gemalin, die naast hem zat, zeiden tot mij: Hoe lang duurt uw tocht, en wanneer komt ge terug? Ik noemde hem een termijn, en het behaagde den koning, mij de opdracht te geven.stylusNehemia 13:6, Nehemia 13:6, Nehemia 5:14, Jesaja 65:24, Nehemia 5:147Nu sprak ik tot den koning: Zo het den koning behaagt, moge hij mij brieven meegeven voor de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, dat ze mij doortocht verlenen, totdat ik Juda bereik;stylusEzra 7:21, Ezra 7:21, Nehemia 2:9, Ezra 8:36, Nehemia 2:98bovendien een brief voor Asaf, den koninklijken houtvester, dat hij mij hout moet leveren, om de poorten van de burcht te overkappen, die tot de tempel behoort, en voor de stadsmuur en de woning, waar ik mijn intrek zal nemen. En de koning verleende ze mij, daar de hand van God vol goedheid op mij rustte.stylusEzra 7:6, Ezra 7:6, Nehemia 7:2, Jesaja 66:14, Nehemia 7:29Vergezeld van de legeroversten en ruiters, die de koning mij meegaf, kwam ik bij de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, en reikte hun de brieven van den koning over.stylusEzra 8:22, Ezra 8:2210Maar toen Sanbállat, de Choroniet, en Tobi-ja, de ammonietische slaaf, het vernamen, waren zij er hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was, om Israëls kinderen goed te doen.stylusNehemia 4:7, Nehemia 2:19, Nehemia 4:7, Nehemia 2:19, Spreuken 27:411De herbouw van Jerusalems muren. Toen ik te Jerusalem was aangekomen, en daar drie dagen vertoefd had,stylusEzra 8:32, Ezra 8:3212stond ik in de volgende nacht op. Ik nam slechts enkele mannen met mij mee, en vertelde aan niemand, wat mijn God mij had ingegeven, voor Jerusalem te doen; ook was er geen ander rijdier bij, dan dat ik zelf bereed.stylusOpenbaring 17:17, Ezra 7:27, Openbaring 17:17, Ezra 7:27, 2 Korintiërs 8:1613In de nacht ging ik door de Dalpoort naar buiten, en trok in de richting van de Drakenbron naar de Aspoort; intussen onderzocht ik Jerusalems muren, die in puin lagen, en zijn poorten, die door het vuur waren verteerd.stylusNehemia 1:3, Nehemia 1:3, 2 Kronieken 26:9, Nehemia 2:17, Nehemia 2:314Vandaar ging ik verder naar de Bronpoort en de Koningsvijver; maar hier was geen ruimte meer voor het dier, dat ik bereed, om er doorheen te komen.stylusNehemia 3:15, Nehemia 3:15, 2 Koningen 20:20, 2 Koningen 20:20, 2 Kronieken 32:3015Door het dal ging ik dus opwaarts in de nacht, telkens de muur onderzoekend. Daarna sloeg ik af, en keerde door de Dalpoort terug naar huis.stylus2 Samuël 15:23, 2 Samuël 15:23, Johannes 18:1, Jeremia 31:38, Jeremia 31:4016Zelfs de voormannen wisten niet, waar ik heen was gegaan en wat ik beoogde; want ik had er aan Joden noch priesters, aan edelen noch regenten, noch aan de overigen, die het werk moesten doen, tot nu toe iets van gezegd.stylus17Maar nu sprak ik tot hen: Gij ziet de ellende, waarin wij verkeren; hoe Jerusalem in puinen ligt, en zijn poorten door het vuur zijn verteerd. Komt, laat ons Jerusalems muren herbouwen, en niet langer meer worden bespot.stylusEzechiël 5:14, Ezechiël 5:14, Nehemia 1:3, Nehemia 1:3, Psalmen 79:418En ik vertelde hun, hoe de hand van God vol goedheid op mij had gerust, en wat de koning mij had gezegd. Ze gaven ten antwoord: We willen beginnen te bouwen! En vol moed sloegen ze de hand aan het heerlijke werk.stylusFilippenzen 2:13, Filippenzen 2:13, 2 Kronieken 32:5, 2 Kronieken 32:5, 1 Kronieken 19:1319Toen Sanbállat, de Choroniet, Tobi-ja, de ammonietische slaaf, en Gésjem, de Arabier, het hoorden, lachten ze ons uit, en bespotten ons. En ze zeiden: Wat moet dat betekenen; maakt ge soms opstand tegen den koning?stylusNehemia 6:6, Nehemia 6:6, Nehemia 6:1, Nehemia 6:2, Nehemia 6:120Maar ik stond hun te woord, en sprak tot hen: De God des hemels zal ons doen slagen; wij, zijn dienaars, beginnen de bouw. Maar gij hebt in Jerusalem geen deel en geen recht, zelfs geen naam!stylusEzra 4:3, Handelingen 8:21, Ezra 4:3, Handelingen 8:21, Nehemia 2:4