1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.stylus1 Tessalonicenzen 4:7, 1 Tessalonicenzen 4:7, 1 Petrus 2:11, 1 Petrus 2:11, Spreuken 8:132Want met het oordeel, dat gij velt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat, waarmee gij meet, zal men ook meten voor u.stylusHandelingen 20:33, 2 Korintiërs 11:9, 2 Korintiërs 6:12, 2 Korintiërs 6:13, Handelingen 20:333Waarom ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?stylus2 Korintiërs 6:11, 2 Korintiërs 6:12, 2 Korintiërs 6:11, 2 Korintiërs 6:12, 1 Tessalonicenzen 2:84Of waarom zegt ge tot uw broeder: laat mij de splinter uit uw oog trekken; en zie, de balk zit in uw eigen oog?stylus2 Korintiërs 1:4, 2 Korintiërs 1:4, 2 Korintiërs 3:12, 2 Korintiërs 3:12, Filippenzen 2:175Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.stylus2 Korintiërs 2:13, 2 Korintiërs 2:13, Deuteronomium 32:25, Deuteronomium 32:25, Handelingen 20:16Geeft het heilige niet aan de honden, en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met de poten vertrappen, zich omkeren, en u gaan verscheuren.stylus2 Korintiërs 1:3, 2 Korintiërs 1:4, 2 Korintiërs 1:3, 2 Korintiërs 1:4, 2 Tessalonicenzen 2:167Vraagt en men zal u geven; zoekt en ge zult vinden; klopt en men zal u opendoen.stylus2 Korintiërs 5:2, Judas 1:3, 2 Korintiërs 5:2, Judas 1:3, 2 Johannes 1:48Want wie vraagt, ontvangt; wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem doet men open.stylusOpenbaring 3:19, Openbaring 3:19, Johannes 16:6, Mattheüs 26:21, Mattheüs 26:229Of wie is er onder u, die aan zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt,stylusJeremia 31:18, Jeremia 31:20, Jeremia 31:18, Jeremia 31:20, 2 Korintiërs 7:1010of een slang, als hij om vis vraagt?stylusHandelingen 3:19, Handelingen 3:19, Handelingen 11:18, Handelingen 11:18, 2 Timotheüs 2:2511Als gij dus, zondige mensen, aan uw kinderen goede gaven weet te schenken, hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemelen is, het goede geven aan wie het Hem vragen.stylusRomeinen 14:18, Romeinen 14:18, 2 Timotheüs 2:15, 1 Timotheüs 5:21, 1 Timotheüs 5:2212Al wat gij dus wilt, dat de mensen u doen, doet het ook hun; want dat is de Wet en de Profeten.stylus2 Korintiërs 2:9, 2 Korintiërs 2:9, 2 Korintiërs 2:17, 1 Timotheüs 3:5, 2 Korintiërs 7:813Gaat binnen door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die ten verderve leidt; en velen zijn er, die daardoor naar binnen gaan.stylus2 Korintiërs 7:6, 2 Korintiërs 7:6, 1 Korintiërs 16:13, 1 Korintiërs 13:5, 1 Korintiërs 13:714Hoe eng is de poort en hoe smal is de weg, die ten leven voert; en weinigen zijn er, die hem vinden.stylus2 Korintiërs 8:24, 2 Korintiërs 7:4, 2 Tessalonicenzen 1:4, 2 Korintiërs 8:24, 2 Korintiërs 7:415Wacht u voor de valse profeten, die tot u komen in schaapskleren, maar inwendig roofgierige wolven zijn.stylusFilippenzen 2:12, Filippenzen 2:12, 2 Korintiërs 2:9, 2 Korintiërs 2:9, 1 Johannes 3:1716Aan hun vruchten zult gij ze kennen. Plukt men wel druiven van doornen, of vijgen van distels?stylus2 Korintiërs 2:3, 2 Korintiërs 2:3, Filemon 1:8, Filemon 1:21, Filemon 1:817Zo draagt iedere goede boom ook goede vruchten; maar een slechte boom draagt slechte vruchten.stylus18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, en een slechte boom geen goede vruchten.stylus19Iedere boom, die geen goede vruchten draagt, zal omgehouwen worden en in het vuur geworpen.stylus20Aan hun vruchten dus zult gij ze kennen.stylus21Niet iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het rijk der hemelen; maar wel wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is.stylus22Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben we niet in uw Naam voorzeggingen gedaan, in uw Naam duivels uitgedreven, in uw Naam veel wonderen verricht?stylus23En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet.stylus24Een ieder dus, die deze woorden van Mij hoort, en ze in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een wijzen man, die zijn huis bouwde op een rots.stylus25En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; doch het zakte niet in, want het was gegrond op de rots.stylus26Maar wie deze woorden van Mij hoort, doch ze niet in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een dwazen man, die zijn huis bouwde op het zand.stylus27En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; het zakte in, en zijn val was geweldig.stylus28Toen Jesus deze toespraak geëindigd had, stonden de scharen verbaasd over zijn leer.stylus29Want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals hun schriftgeleerden.stylus