1Toen Isj-Bósjet, de zoon van Saul, vernam, dat Abner in Hebron vermoord was, ontzonk hem de moed, en sloeg heel Israël de schrik om het hart.stylusEzra 4:4, Ezra 4:4, Jesaja 13:7, Jesaja 13:7, Jeremia 6:242Nu had Isj-Bósjet, de zoon van Saul, een tweetal bendeleiders in zijn dienst: de een heette Baäna, de andere Rekab. Het waren zonen van Rimmon uit Beërot, en Benjamieten. Want ook Beërot wordt tot Benjamin gerekend,stylusJozua 18:25, Jozua 18:25, Jozua 9:17, Jozua 9:17, 2 Koningen 6:233daar de Beërotieten naar Gittáim gevlucht zijn en daar tot op heden als vreemdelingen verblijven.stylusNehemia 11:33, Nehemia 11:33, 1 Samuël 31:7, 1 Samuël 31:74Jonatan, de zoon van Saul, had een zoon, die slecht ter been was. Want toen hij vijf jaar oud was, en uit Jizreël de tijding kwam aangaande Saul en Jonatan, had zijn verpleegster hem opgenomen, om met hem te vluchten; maar in haar opwinding om weg te komen, was hij komen te vallen, en kreupel geworden. Hij heette Mefibósjet.stylus2 Samuël 9:3, 2 Samuël 9:3, 1 Kronieken 8:34, 2 Samuël 9:6, 1 Kronieken 9:405Deze Rekab en Baäna, de zonen van Rimmon uit Beërot, begaven zich naar het paleis van Isj-Bósjet, en kwamen daar aan op het heetst van de dag, terwijl deze zijn middagslaap hield.stylusSpreuken 24:33, Spreuken 24:34, Spreuken 24:33, Spreuken 24:34, 2 Samuël 11:26De portierster van het paleis was bij het ziften der tarwe in slaap gevallen, zodat Rekab en zijn broer Baäna langs haar heen konden glippen.stylus2 Samuël 2:23, 2 Samuël 2:23, 2 Samuël 3:27, 2 Samuël 20:10, 2 Samuël 3:277Ze drongen het paleis binnen, en staken hem dood, terwijl hij in zijn slaapkamer op bed lag. Ze hieuwen hem het hoofd af, namen dat mee en spoedden zich, de Jordaanvlakte volgend, heel de nacht voort.stylusMattheüs 14:11, 2 Koningen 10:6, 2 Koningen 10:7, 1 Samuël 17:54, Marcus 6:288Zij brachten het hoofd van Isj-Bósjet bij David in Hebron, en zeiden tot den koning: Hier is het hoofd van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, uw vijand, die u naar het leven stond. Heden heeft Jahweh mijn heer en koning op Saul en zijn geslacht gewroken!stylus1 Samuël 25:29, 1 Samuël 25:29, 2 Samuël 22:48, 2 Samuël 22:48, Psalmen 63:99Maar David gaf Rekab en zijn broer Baäna, de zonen van Rimmon uit Beërot, ten antwoord: Zo waar Jahweh leeft, die mij bevrijd heeft uit alle nood!stylusGenesis 48:16, Psalmen 107:2, 1 Koningen 1:29, Psalmen 34:17, Psalmen 34:610Den man, die mij kwam melden: "Saul is dood", en meende, een goede tijding te brengen, heb ik te Sikelag gegrepen en gedood, ofschoon ik hem bodeloon had moeten geven.stylus2 Samuël 1:2, 2 Samuël 1:16, 2 Samuël 1:2, 2 Samuël 1:1611En nu een paar booswichten een onschuldig mens op zijn bed hebben vermoord, in zijn eigen huis, moet ik dan zijn bloed niet van u opeisen en u van de aardbodem verdelgen?stylusPsalmen 9:12, Psalmen 9:12, Genesis 9:5, Genesis 9:6, Genesis 9:512Hierop gaf David de soldaten bevel, hen te doden. Ze deden het, hakten hun de handen en voeten af, en hingen ze op bij de vijver in Hebron. Maar het hoofd van Isj-Bósjet droegen zij weg, en begroeven het in het graf van Abner te Hebron.stylus2 Samuël 3:32, 2 Samuël 1:15, 2 Samuël 3:32, 2 Samuël 1:15, Psalmen 55:23