Wijsheid 15 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 15
1Maar Gij, onze God, zijt goedertieren en trouw; Lankmoedig en vol ontferming bestuurt Gij het heelal.
2Wij zijn van U; zondigen wij ook, wij erkennen uw macht! Maar wij willen niet zondigen, wetende, dat wij U toebehoren!
3Want U kennen is volmaakte gerechtigheid, Uw macht beseffen de wortel der onsterfelijkheid.
4Neen, ons heeft geen bedriegelijk uitvindsel van mensen misleid, Noch de nutteloze arbeid van schilders; Geen beeld met bonte kleuren besmeerd,
5Dat door zijn aanblik den dwaas verleidt, Om de dode gestalte te minnen van een levenloos beeld.
6Minnaars der boosheid en waard op zo iets te hopen Zijn zij, die ze maken, en die ze liefde en eerbied betonen.
7Een pottebakker bijvoorbeeld kneedt moeizaam de weke klei, En vormt ten onzen gerieve allerlei vaten. Uit hetzelfde leem vormt hij zonder verschil De vaten, die dienen voor een eerzaam gebruik, Maar ook, die voor iets anders bedoeld zijn; En welke bestemming elk van beide zal vinden, Het is de pottebakker, die het beslist.
8Met onzalige ijver maakt hij uit dezelfde klei een nietigen god: Hij, die kort geleden zelf uit aarde ontstond, En binnenkort terugkeert naar haar, waaruit hij werd genomen, Als de ziel, die hij te leen kreeg, wordt teruggevorderd.
9Maar hij denkt er niet aan, dat hij eens zal verdwijnen, En dat hij een kortstondig leven heeft. Neen, hij wil zich met goud- en zilversmeden meten, Bootst den koperslager na, En gaat er nog groot op, dat hij namaak levert.
10Zijn hart is enkel as, Nietiger nog dan zand zijn hoop; Zijn leven is nog minder waard dan het leem.
11Want hij miskent Hem, die hem maakte, Die hem een werkzame geest inblies, En een levende ziel in hem plantte.
12Ja, hij beschouwt ons leven als een spel, Ons bestaan als een winstgevende kermis; Uit alles, zelfs uit het kwaad, meent hij voordeel te moeten trekken.
13Toch weet hij beter nog dan anderen, dat hij zondigt, Als hij uit stof der aarde broze potten en beelden maakt.
14Grote dwazen zijn zij allen, erger nog dan een kind, De vijanden van uw volk, die het hebben verdrukt.
15Want alle goden der heidenen houden zij voor god, Ofschoon die hun ogen niet kunnen gebruiken, om te zien, Hun neus niet, om lucht in te ademen, Hun oren niet, om te horen, De vingers van hun handen niet, om te tasten, En wier voeten niet in staat zijn, om te gaan.
16Want het is een mens, die ze heeft gemaakt; Eén, die zelf de geest in leen kreeg, heeft ze gevormd. Ja, een mens vermag niet eens, een god te maken, aan zich gelijk:
17Zelf sterfelijk, maakt hij met snode handen een levenloos ding; Maar zelf is hij beter, dan dat wat hij aanbidt, Want hij bezit het leven, dat andere niet!
18Zelfs vereren zij de afschuwelijkste beesten, Die door hun domheid nog lager staan dan de anderen,
19Die niet mooi genoeg zijn, om er van te houden, Zoals dat bij het zien van dieren mogelijk is: Maar aan wie Gods lofspraak en zegen zijn ontgaan.
Wijsheid 15
1Maar gij onze God zijt goedertieren en waarachtig, lankmoedig, en in barmhartigheid regeert gij alle dingen.
2Want ook zo wij zondigen; wij zijn uw, wetende uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend worden.
3Want u kennen is een volkomen gerechtigheid, en uw kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.
4Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.
5Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, hetwelk zonder adem is.
6Zulke mensen zijn beminnaars van kwade dingen, en zodanige hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren.
7Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.
8Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit datzelfde leem, daar hij weinig tijds tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.
9Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.
10Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem.
11Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.
12Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.
13Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen vaten die licht breken, en gesneden beelden.
14Maar de vijanden uws volks, die het onderdrukken, zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen der kleine kinderen.
15Omdat zij al de beelden der heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers hunner handen om iets aan te tasten, en welker voeten lui zijn om voort te gaan.
16Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die Hem gelijk is.
17Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.
18En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger.
19En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien der andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 15
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 15 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 15:16
"Want het is een mens, die ze heeft gemaakt; Eén, die zelf de geest in leen kreeg, heeft ze gevormd. Ja, een mens vermag niet eens, een god te maken, aan zich gelijk:"
"Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die Hem gelijk is."





