Wijsheid 14 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 14
1Weer een ander, die een zeereis begint, En de wilde golven gaat doorklieven, Roept een hout aan, dat veel brozer is Dan het vaartuig, dat hem draagt.
2Want hieraan werd door winzucht de nodige zorg besteed, En met vakkundig inzicht werd het gebouwd.
3En het is uw Voorzienigheid, o Vader, die het bestuurt; Want Gij baant ook op zee een weg, Een veilig pad te midden der golven.
4Gij toont daardoor, dat Gij in staat zijt, uit alles te redden, Zodat men ook zonder stuurmanskunst zee zou durven kiezen.
5Maar daar Gij de werken uwer wijsheid niet onbenut wilt laten, Vertrouwen de mensen hun leven toe aan een klein stuk hout, En varen op een scheepje behouden door de branding.
6Ook in de oude tijd, bij de ondergang der trotse reuzen, Ontkwam de hoop der wereld op een schip; En door uw hand bestuurd, bewaarde hij voor de wereld Het zaad voor een nageslacht.
7Want gezegend is het hout, dat tot gerechtigheid dient.
8Maar vervloekt het beeld, door mensenhand gemaakt, tegelijk met zijn maker: Deze, omdat hij het heeft gemaakt; Het vergankelijk beeld, omdat het god wordt genoemd.
9Want de goddeloze is bij God gehaat met zijn goddeloos werk;
10En het maaksel wordt gestraft tegelijk met hem, die het maakte.
11Ja, ook over de beelden der heidenen komt het gericht, Omdat zij een gruwel werden onder de schepselen Gods, Een ergernis voor de zielen der mensen, En een valstrik voor de voeten der dwazen.
12Want de gedachte aan beelden was het begin van de afval, Het uitvinden ervan werd het bederf des levens.
13Ze bestonden niet van de aanvang af, En zullen niet eeuwig blijven;
14Want door de ijdele waan der mensen kwamen ze in de wereld, En daarom is hun een spoedig einde beschoren.
15Een vader toch, verteerd door onverwachte smart, Maakte een beeld van zijn kind, te vroeg hem ontrukt; Die als mens was gestorven, vereerde hij nu als god, En stelde voor zijn ondergeschikten een plechtige eredienst in.
16Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,
17Gold zij als wet, en vereerde men beelden op bevel der vorsten. Want als men om de verre afstand henzelf niet kon vereren, Maakte men zich uit de verte een voorstelling van hun gestalte. Men vervaardigde een prachtig beeld van den gevierden koning, Om met alle ijver den afwezige te vleien, als was hij er bij;
18En de eerzucht van den kunstenaar bewoog zelfs wie den koning niet kenden. Om diens verering nog te vergroten.
19Want om den vorst te behagen, gaf hij zich alle moeite, Om door zijn kunst het beeld zo schoon mogelijk te maken;
20En het volk, misleid door de schoonheid van het werk, Aanbad, dien men te voren als mens eerde, voortaan als god.
21En dit is voor de mensen een valstrik geworden: Dat zij door ongeluk gedreven of om vorsten te vleien, Aan hout of steen de Naam gaven, die slechts toekomt aan Eén.
22Maar, zij dwalen niet alleen in de kennis van God! Neen, terwijl zij door hun onkunde leven in grote strijd, Begroeten zij zulk een ellende nog als vrede.
23Want zij offeren hun kinderen, vieren verborgen geheimen, Of dolle feestgelagen met vreemde gebruiken,
24En verwaarlozen de reinheid van leven en huwelijk. De een vermoordt den ander of krenkt hem door echtbreuk;
25Overal heerst zonder onderscheid moord en doodslag, Diefstal, bedrog en verleiding, onbetrouwbaarheid, oproer en meineed;
26Vervolging der goeden, ondank voor weldaden, Verpesting der zielen, onkuisheid tegen de natuur, Verwording van het huwelijk, echtbreuk en ontucht.
27Want de verering der verfoeilijke afgoden Is het begin, de oorzaak en het einde van alle kwaad.
28Ja, zij vieren hun dolle feesten en profeteren leugens, Leven losbandig en doen valse eden zonder wroeging;
29Want zij stellen hun vertrouwen op levenloze goden, En verwachten daarom geen straf voor hun meineed.
30Maar een rechtvaardige straf treft hen voor dit dubbel vergrijp: Dat zij goden vereren, maar kwaad denken van God; En door meineed en bedrog de deugd vertreden.
31Ja, al bezitten zij, bij wie men zweert, ook geen macht, Toch volgt de straf der zonde steeds op het misdrijf der bozen.
Wijsheid 14
1Wederom iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde baren te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.
2Want de begeerte der winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het toebereid.
3Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.
4Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst daarin klimme.
5Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de baren, worden door een schip behouden.
6Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.
7Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid geschiedt.
8Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.
9Want bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.
10En daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden.
11Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.
12Want de bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving des levens.
13Want zij waren van den beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.
14Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden.
15Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.
16Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden.
17Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.
18De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst der beelden.
19Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.
20En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, welke weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.
21En dit is tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt worden.
22Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd.
23Want zij, of zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen.
24Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel.
25Maar het is al onder elkander vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;
26Vergetelheid der weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid.
27Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.
28Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.
29Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.
30Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.
31Want niet de kracht dergene bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 14
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 14 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 14:16
"Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,"
"Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden."





