Wijsheid 16 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 16
1Daarom werden zij door zulke dieren naar verdienste gestraft, En door een menigte ongedierte gekweld;
2Maar in plaats van die straf deedt Gij goed aan uw volk: Toen Gij als ongewone spijs voor hun gretige honger Hun de kwartel als voedsel hebt bezorgd.
3Want als de anderen begeerden te eten, Moest door de afschuw voor hetgeen op hen neerkwam Zelfs de natuurlijke honger vergaan; Terwijl dezen na een kortstondig gebrek Zelfs een wonderbaar voedsel ontvingen.
4Voor die verdrukkers moest onvermijdelijk gebrek ontstaan, Maar hùn werd enkel getoond, hoe hun vijanden werden bestraft.
5Ja, toen hèn de grimmige woede van dieren overviel, En zij door de beet van kronkelende slangen vergingen, Bleef uw toorn toch niet eindeloos duren.
6Zij werden ter waarschuwing een tijdlang verschrikt, Maar ontvingen een reddend symbool, Om aan de geboden van uw wet te worden herinnerd.
7Want wie er naar keek, werd niet gered door wat hij zag, Maar door U, den Redder van allen;
8En daardoor hebt Gij onze vijanden bewezen, Dat Gij het zijt, die uit alle nood bevrijdt.
9Want de anderen werden gedood door de beet van sprinkhaan en vlieg, En voor hèn werd geen genezing gevonden, Omdat ze verdiend hadden, zó te worden gestraft.
10Maar uw kinderen kon de tand van giftige slangen niet deren; Want uw ontferming kwam tussenbeiden, om hen te genezen.
11Al werden zij gestoken, om ze te herinneren aan uw geboden, Toch werden zij terstond weer gered, Opdat zij niet uw geboden geheel en al zouden vergeten, En niet van uw goedheid zouden worden verstoken.
12Neen, geen kruid was het, geen pleister, die hen genas, Maar uw woord, Heer, dat alles geneest;
13Gij toch hebt macht over leven en dood, Gij voert naar de poorten van het dodenrijk af, en brengt weer omhoog.
14Een mens daarentegen kan in zijn boosheid wel doden, Maar de geest, die ontvlood, niet doen keren, En geen buitgemaakte ziel weer bevrijden.
15Onmogelijk is het, uw hand te ontvluchten!
16Want de goddelozen, die weigerden, U te erkennen, Werden door de kracht van uw arm getuchtigd, Door hevige regen en hagel en verschrikkelijk onweer vervolgd, Of door het vuur van de bliksem verteerd. Ja, nog wonderlijker: in het alles blussende water Woedde het vuur met ongewone kracht. Ja, de schepping strijdt voor de rechtvaardigen!
17
18Want nu eens werd het vuur getemperd, Om het ongedierte niet te verbranden, Dat was losgelaten op de zondaars, Opdat ze heel duidelijk zouden begrijpen, Dat ze door Gods oordeel werden vervolgd;
19Dan weer brandde het, midden in water boven zijn kracht, Om de gewassen van het zondige land te vernielen. Uw volk daarentegen hebt Gij met Engelenspijze gevoed,
20En zonder moeite toebereid brood uit de hemel gezonden, Dat alle geneugten bood en ieders smaak voldeed.
21Want uw gave openbaarde uw goedheid jegens uw kinderen, Doordat zij de begeerte voldeed van wie ze genoot, En veranderde in wat men verlangde.
22Sneeuw en ijs weerstonden het vuur en smolten niet, Opdat men zou begrijpen, dat de oogst der vijanden werd verteerd Door het vuur, dat in de hagel vlamde, En in de stortbuien heen en weer flitste;
23Terwijl het van de andere kant zijn eigen kracht vergat, Opdat de rechtvaardigen voedsel zouden hebben.
24Want de natuur is onderdanig aan U, die haar schiep; Zij spant zich in tot bestraffing der zondaars, Maar matigt zich, om wel te doen aan wie zich verlaten op U.
25Daarom heeft zij ook toen zich in alles geplooid, Uw alvoedende gave gediend, zoals de gebruikers het wensten:
26Opdat uw zonen, die Gij liefhadt, Heer, zouden leren, Dat niet de soorten van vruchten de mensen voeden, Maar dat uw woord onderhoudt, wie op U betrouwt.
27Want ofschoon het door het vuur niet kon worden verteerd, Smolt het bij de warmte van een vluchtige zonnestraal weg.
28Zo moest men inzien, dat men U vóór zonsopgang moet danken, En vóór de komst van het licht voor U moet verschijnen.
29Want de hoop van ondankbaren smelt als rijp in de winter, Stroomt weg als water, dat nergens toe dient.
Wijsheid 16
1Daarom zijn zij door dergelijke billijk geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd geweest.
2In plaats van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen.
3Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn.
4Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en dezen alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden.
5Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,
6Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.
7Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.
8En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.
9Want die werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij waardig waren van zulke geplaagd te worden.
10Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.
11Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.
12Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Here, uw woord, hetwelk alle dingen heelt.
13Want gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder uit.
14En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.
15Het is onmogelijk uw hand te ontvlieden.
16Want de goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.
17Want (hetwelk op het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, hetwelk toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.
18Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden.
19Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen zou verderven.
20Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.
21Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen eenieder wilde.
22Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven had.
23Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed worden.
24Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen die u betrouwen.
25Daarom ook toen in alles veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.
26Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen die u geloven.
27Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.
28Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.
29Want de hoop des ondankbaren zal versmelten als een rijm die des winters valt, en zal wegvloeien gelijk onnut water.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 16
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 16 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 16:16
"Want de goddelozen, die weigerden, U te erkennen, Werden door de kracht van uw arm getuchtigd, Door hevige regen en hagel en verschrikkelijk onweer vervolgd, Of door het vuur van de bliksem verteerd. Ja, nog wonderlijker: in het alles blussende water Woedde het vuur met ongewone kracht. Ja, de schepping strijdt voor de rechtvaardigen!"
"Want de goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende."





