Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Wijsheid 13 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Wijsheid 13

1Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;

2Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.

3Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.

4En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.

5Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.

6Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;

7Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.

8Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:

9Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?

10Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;

11Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.

12Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.

13Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,

14Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.

15Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;

16Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.

17Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,

18Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;

19Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.

Wijsheid 13

1Voorwaar alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.

2Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten des hemels, goden waren, die de wereld regeerden.

3Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze dingen geschapen.

4En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.

5Want uit de grootte en schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde.

6Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;

7Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.

8Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.

9Want hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Here dezer dingen gevonden?

10Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.

11En indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:

12Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.

13En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.

14Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren.

15En hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,

16Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig.

17Nochtans, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.

18En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.

19En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.

Wijsheid 13

1Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;

2Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.

3Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.

4En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.

5Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.

6Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;

7Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.

8Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:

9Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?

10Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;

11Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.

12Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.

13Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,

14Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.

15Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;

16Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.

17Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,

18Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;

19Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.

Wijsheid 13:1
NlCanisius1939

Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;

DutSVVA

Voorwaar alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.

2
NlCanisius1939

Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.

DutSVVA

Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten des hemels, goden waren, die de wereld regeerden.

3
NlCanisius1939

Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.

DutSVVA

Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze dingen geschapen.

4
NlCanisius1939

En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.

DutSVVA

En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.

5
NlCanisius1939

Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.

DutSVVA

Want uit de grootte en schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde.

6
NlCanisius1939

Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;

DutSVVA

Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;

7
NlCanisius1939

Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.

DutSVVA

Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.

8
NlCanisius1939

Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:

DutSVVA

Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.

9
NlCanisius1939

Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?

DutSVVA

Want hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Here dezer dingen gevonden?

10
NlCanisius1939

Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;

DutSVVA

Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.

11
NlCanisius1939

Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.

DutSVVA

En indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:

12
NlCanisius1939

Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.

DutSVVA

Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.

13
NlCanisius1939

Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,

DutSVVA

En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.

14
NlCanisius1939

Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.

DutSVVA

Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren.

15
NlCanisius1939

Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;

DutSVVA

En hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,

16
NlCanisius1939

Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.

DutSVVA

Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig.

17
NlCanisius1939

Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,

DutSVVA

Nochtans, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.

18
NlCanisius1939

Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;

DutSVVA

En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.

19
NlCanisius1939

Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.

DutSVVA

En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 13

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 13 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Wijsheid 13:16

NlCanisius1939

"Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft."

DutSVVA

"Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward