Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Wijsheid 12 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Wijsheid 12

1Want uw onsterfelijke geest is in alles,

2En daarom straft Gij de zondaars slechts matig; Gij houdt hun door die waarschuwing hun misdaad voor ogen, Opdat zij de zonde verlaten en U trouw blijven, Heer.

3Ook de vroegere bewoners van uw heilig land

4Hebt Gij gehaat om hun schandelijk leven,

5Om hun toverkunst en afschuwelijke gebruiken: Het meedogenloos moorden van kinderen, Het eten van ingewanden, en vlees en bloed van mensen. Daarom hebt Gij die ingewijden uit hun festijnen weggerukt,

6En de ouders, die eigenhandig hun arme kinderen doodden, Door de hand van onze vaderen willen verdelgen:

7Opdat het land, dat door U het hoogst wordt geschat, Een waardige bevolking zou opnemen van kinderen Gods.

8Toch hebt Gij ook hen, als mensen, genadig behandeld, En als voorlopers van uw leger horzels gezonden, Om hen slechts langzaam uit te roeien;

9Al hadt Gij de zondaars in de krijg aan de gerechten kunnen overleveren, Of in eens verdelgen door grimmige dieren of een streng bevel.

10Door niet in eens te straffen gaaft Gij hun tijd tot bekering, Ofschoon Gij wist, dat hun geslacht was bedorven, Dat de boosheid hun was aangeboren, En dat hun gezindheid in eeuwigheid niet zou veranderen,

11Daar hun zaad was vervloekt van de aanvang af. Niet uit ontzag voor iemand gaaft Gij uitstel aan hun zondestraf;

12Want wie zal durven zeggen: “Wat doet Gij?” Of wie zal zich verzetten tegen uw oordeel? Wie klaagt U aan, als Gij volken verdelgt, die Gij zelf hebt geschapen; Of wie treedt er tegen U op als verdediger van zondige mensen?

13Er is geen God buiten U, die zorg draagt voor allen, En zo bewijst, dat Gij niet onrechtvaardig straft.

14Geen koning of vorst kan U rekenschap vragen over wien Gij kastijdt;

15Maar omdat Gij rechtvaardig zijt, ordent Gij alles rechtvaardig. Wie geen straf verdient, straffen, Acht Gij in strijd met uw macht.

16Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard.

17Want Gij toont uw kracht slechts, als men uw almacht uitdaagt; Gij straft enkel wie ze kent, en toch overmoedig is.

18Maar hoe groot ook uw kracht is, Gij straft met zachtheid, En heerst over ons met grote toegevendheid; Want als Gij maar wilt, het kunnen ligt in uw macht.

19Maar Gij hebt door zo te handelen uw volk willen leren, Dat menslievendheid een plicht is voor den rechtvaardige; En Gij hebt aan uw zonen de blijde hoop gegeven, Dat Gij na de zonden bekering schenkt.

20Want als Gij de vijanden uwer kinderen, die de dood verdienden, Zo behoedzaam en omzichtig gestraft hebt, Tijd en gelegenheid gegeven, om zich van het kwaad te bekeren:

21Met welk een omzichtigheid zult Gij dan uw kinderen richten, Wier vaderen Gij onder eed en verbond de heerlijkste beloften hebt gegeven!

22Ons wijst Gij terecht, onze vijanden geselt Gij duizendmaal, Opdat wij, als wij straffen, aan uw goedheid zouden denken, En als wij gestraft worden, op barmhartigheid hopen.

23Daarom ook hebt Gij de bozen, die in dwaasheid hun leven vergooiden, Door hun eigen gruwelen gefolterd.

24Want ze waren op de ergste doolwegen afgedwaald, Door de meest verachte en afschuwelijke beesten als god te beschouwen, En zo zichzelf te misleiden als onnozele kinderen.

25Daarom hebt Gij hun, als kinderen zonder verstand, Een straf gezonden, die hen bespottelijk maakte.

26Maar wie na een kastijding met spot zich niet betert, Zal een straf ondergaan, die God waardig is.

27Want in hun lijden, toen ze zich enkel maar ergerden Over hun waangoden, waarmee ze werden gekweld, Hadden ze den waren God moeten vinden, dien ze vroeger miskenden: Daarom kwam de allerzwaarste straf over hen.

Wijsheid 12

1Want uw onverderfelijke Geest is in allen.

2Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.

3Want hatende de oude inwoners van uw heilig land,

4Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offeranden,

5Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees aten,

6En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.

7Opdat het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen zou.

8Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.

9Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

10Maar gij straffende gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in der eeuwigheid.

11Want het was een vervloekt zaad van den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.

12Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

13Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.

14Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

15Maar daar gij rechtvaardig zijt, regeert gij alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft te worden.

16Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.

17Want gij betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.

18Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.

19Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.

20Want indien gij de vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;

21Met hoe grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?

22Ons dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten.

23Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.

24Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen gelijk de onverstandige kinderen.

25Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.

26Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.

27Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Wijsheid 12

1Want uw onsterfelijke geest is in alles,

2En daarom straft Gij de zondaars slechts matig; Gij houdt hun door die waarschuwing hun misdaad voor ogen, Opdat zij de zonde verlaten en U trouw blijven, Heer.

3Ook de vroegere bewoners van uw heilig land

4Hebt Gij gehaat om hun schandelijk leven,

5Om hun toverkunst en afschuwelijke gebruiken: Het meedogenloos moorden van kinderen, Het eten van ingewanden, en vlees en bloed van mensen. Daarom hebt Gij die ingewijden uit hun festijnen weggerukt,

6En de ouders, die eigenhandig hun arme kinderen doodden, Door de hand van onze vaderen willen verdelgen:

7Opdat het land, dat door U het hoogst wordt geschat, Een waardige bevolking zou opnemen van kinderen Gods.

8Toch hebt Gij ook hen, als mensen, genadig behandeld, En als voorlopers van uw leger horzels gezonden, Om hen slechts langzaam uit te roeien;

9Al hadt Gij de zondaars in de krijg aan de gerechten kunnen overleveren, Of in eens verdelgen door grimmige dieren of een streng bevel.

10Door niet in eens te straffen gaaft Gij hun tijd tot bekering, Ofschoon Gij wist, dat hun geslacht was bedorven, Dat de boosheid hun was aangeboren, En dat hun gezindheid in eeuwigheid niet zou veranderen,

11Daar hun zaad was vervloekt van de aanvang af. Niet uit ontzag voor iemand gaaft Gij uitstel aan hun zondestraf;

12Want wie zal durven zeggen: “Wat doet Gij?” Of wie zal zich verzetten tegen uw oordeel? Wie klaagt U aan, als Gij volken verdelgt, die Gij zelf hebt geschapen; Of wie treedt er tegen U op als verdediger van zondige mensen?

13Er is geen God buiten U, die zorg draagt voor allen, En zo bewijst, dat Gij niet onrechtvaardig straft.

14Geen koning of vorst kan U rekenschap vragen over wien Gij kastijdt;

15Maar omdat Gij rechtvaardig zijt, ordent Gij alles rechtvaardig. Wie geen straf verdient, straffen, Acht Gij in strijd met uw macht.

16Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard.

17Want Gij toont uw kracht slechts, als men uw almacht uitdaagt; Gij straft enkel wie ze kent, en toch overmoedig is.

18Maar hoe groot ook uw kracht is, Gij straft met zachtheid, En heerst over ons met grote toegevendheid; Want als Gij maar wilt, het kunnen ligt in uw macht.

19Maar Gij hebt door zo te handelen uw volk willen leren, Dat menslievendheid een plicht is voor den rechtvaardige; En Gij hebt aan uw zonen de blijde hoop gegeven, Dat Gij na de zonden bekering schenkt.

20Want als Gij de vijanden uwer kinderen, die de dood verdienden, Zo behoedzaam en omzichtig gestraft hebt, Tijd en gelegenheid gegeven, om zich van het kwaad te bekeren:

21Met welk een omzichtigheid zult Gij dan uw kinderen richten, Wier vaderen Gij onder eed en verbond de heerlijkste beloften hebt gegeven!

22Ons wijst Gij terecht, onze vijanden geselt Gij duizendmaal, Opdat wij, als wij straffen, aan uw goedheid zouden denken, En als wij gestraft worden, op barmhartigheid hopen.

23Daarom ook hebt Gij de bozen, die in dwaasheid hun leven vergooiden, Door hun eigen gruwelen gefolterd.

24Want ze waren op de ergste doolwegen afgedwaald, Door de meest verachte en afschuwelijke beesten als god te beschouwen, En zo zichzelf te misleiden als onnozele kinderen.

25Daarom hebt Gij hun, als kinderen zonder verstand, Een straf gezonden, die hen bespottelijk maakte.

26Maar wie na een kastijding met spot zich niet betert, Zal een straf ondergaan, die God waardig is.

27Want in hun lijden, toen ze zich enkel maar ergerden Over hun waangoden, waarmee ze werden gekweld, Hadden ze den waren God moeten vinden, dien ze vroeger miskenden: Daarom kwam de allerzwaarste straf over hen.

Wijsheid 12:1
NlCanisius1939

Want uw onsterfelijke geest is in alles,

DutSVVA

Want uw onverderfelijke Geest is in allen.

2
NlCanisius1939

En daarom straft Gij de zondaars slechts matig; Gij houdt hun door die waarschuwing hun misdaad voor ogen, Opdat zij de zonde verlaten en U trouw blijven, Heer.

DutSVVA

Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.

3
NlCanisius1939

Ook de vroegere bewoners van uw heilig land

DutSVVA

Want hatende de oude inwoners van uw heilig land,

4
NlCanisius1939

Hebt Gij gehaat om hun schandelijk leven,

DutSVVA

Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offeranden,

5
NlCanisius1939

Om hun toverkunst en afschuwelijke gebruiken: Het meedogenloos moorden van kinderen, Het eten van ingewanden, en vlees en bloed van mensen. Daarom hebt Gij die ingewijden uit hun festijnen weggerukt,

DutSVVA

Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees aten,

6
NlCanisius1939

En de ouders, die eigenhandig hun arme kinderen doodden, Door de hand van onze vaderen willen verdelgen:

DutSVVA

En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.

7
NlCanisius1939

Opdat het land, dat door U het hoogst wordt geschat, Een waardige bevolking zou opnemen van kinderen Gods.

DutSVVA

Opdat het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen zou.

8
NlCanisius1939

Toch hebt Gij ook hen, als mensen, genadig behandeld, En als voorlopers van uw leger horzels gezonden, Om hen slechts langzaam uit te roeien;

DutSVVA

Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.

9
NlCanisius1939

Al hadt Gij de zondaars in de krijg aan de gerechten kunnen overleveren, Of in eens verdelgen door grimmige dieren of een streng bevel.

DutSVVA

Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

10
NlCanisius1939

Door niet in eens te straffen gaaft Gij hun tijd tot bekering, Ofschoon Gij wist, dat hun geslacht was bedorven, Dat de boosheid hun was aangeboren, En dat hun gezindheid in eeuwigheid niet zou veranderen,

DutSVVA

Maar gij straffende gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in der eeuwigheid.

11
NlCanisius1939

Daar hun zaad was vervloekt van de aanvang af. Niet uit ontzag voor iemand gaaft Gij uitstel aan hun zondestraf;

DutSVVA

Want het was een vervloekt zaad van den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.

12
NlCanisius1939

Want wie zal durven zeggen: “Wat doet Gij?” Of wie zal zich verzetten tegen uw oordeel? Wie klaagt U aan, als Gij volken verdelgt, die Gij zelf hebt geschapen; Of wie treedt er tegen U op als verdediger van zondige mensen?

DutSVVA

Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

13
NlCanisius1939

Er is geen God buiten U, die zorg draagt voor allen, En zo bewijst, dat Gij niet onrechtvaardig straft.

DutSVVA

Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.

14
NlCanisius1939

Geen koning of vorst kan U rekenschap vragen over wien Gij kastijdt;

DutSVVA

Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

15
NlCanisius1939

Maar omdat Gij rechtvaardig zijt, ordent Gij alles rechtvaardig. Wie geen straf verdient, straffen, Acht Gij in strijd met uw macht.

DutSVVA

Maar daar gij rechtvaardig zijt, regeert gij alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft te worden.

16
NlCanisius1939

Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard.

DutSVVA

Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.

17
NlCanisius1939

Want Gij toont uw kracht slechts, als men uw almacht uitdaagt; Gij straft enkel wie ze kent, en toch overmoedig is.

DutSVVA

Want gij betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.

18
NlCanisius1939

Maar hoe groot ook uw kracht is, Gij straft met zachtheid, En heerst over ons met grote toegevendheid; Want als Gij maar wilt, het kunnen ligt in uw macht.

DutSVVA

Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.

19
NlCanisius1939

Maar Gij hebt door zo te handelen uw volk willen leren, Dat menslievendheid een plicht is voor den rechtvaardige; En Gij hebt aan uw zonen de blijde hoop gegeven, Dat Gij na de zonden bekering schenkt.

DutSVVA

Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.

20
NlCanisius1939

Want als Gij de vijanden uwer kinderen, die de dood verdienden, Zo behoedzaam en omzichtig gestraft hebt, Tijd en gelegenheid gegeven, om zich van het kwaad te bekeren:

DutSVVA

Want indien gij de vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;

21
NlCanisius1939

Met welk een omzichtigheid zult Gij dan uw kinderen richten, Wier vaderen Gij onder eed en verbond de heerlijkste beloften hebt gegeven!

DutSVVA

Met hoe grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?

22
NlCanisius1939

Ons wijst Gij terecht, onze vijanden geselt Gij duizendmaal, Opdat wij, als wij straffen, aan uw goedheid zouden denken, En als wij gestraft worden, op barmhartigheid hopen.

DutSVVA

Ons dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten.

23
NlCanisius1939

Daarom ook hebt Gij de bozen, die in dwaasheid hun leven vergooiden, Door hun eigen gruwelen gefolterd.

DutSVVA

Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.

24
NlCanisius1939

Want ze waren op de ergste doolwegen afgedwaald, Door de meest verachte en afschuwelijke beesten als god te beschouwen, En zo zichzelf te misleiden als onnozele kinderen.

DutSVVA

Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen gelijk de onverstandige kinderen.

25
NlCanisius1939

Daarom hebt Gij hun, als kinderen zonder verstand, Een straf gezonden, die hen bespottelijk maakte.

DutSVVA

Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.

26
NlCanisius1939

Maar wie na een kastijding met spot zich niet betert, Zal een straf ondergaan, die God waardig is.

DutSVVA

Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.

27
NlCanisius1939

Want in hun lijden, toen ze zich enkel maar ergerden Over hun waangoden, waarmee ze werden gekweld, Hadden ze den waren God moeten vinden, dien ze vroeger miskenden: Daarom kwam de allerzwaarste straf over hen.

DutSVVA

Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 12

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 12 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Wijsheid 12:16

NlCanisius1939

"Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard."

DutSVVA

"Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward