Wijsheid 11 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 11
1Zij liet hun ondernemingen slagen Onder leiding van een heilig profeet.
2Ze trokken door een onbewoonbare steppe, En richtten hun tenten op in onbegaanbare oorden;
3Ze boden weerstand tegen hun vijanden, En sloegen hun tegenstanders af.
4Als ze dorst hadden, riepen ze tot U; En uit een steile rots ontvingen ze water, En lessing van hun dorst uit harde steen.
5Ja, hetzelfde, dat hun vijanden als straf overkwam Werd hùn een zegen in hun nood.
6Want terwijl de altijdstromende bron van de Nijl Door walgelijk bloed werd vertroebeld,
7Tot straf voor hun bevel, om de kinderen te doden, Gaaft Gij hùn onverhoopt rijkelijk water.
8Maar door hun eigen dorst hebt Gij hun getoond, Hoe Gij hun vijanden eens hadt gestraft;
9Want door die beproeving, die een liefdevolle terechtwijzing was, Begrepen zij de kwelling der bozen, die in toorn werden gestraft.
10Hen toch hebt Gij als een waarschuwend vader beproefd, Maar de anderen als een streng vorst gericht en gestraft.
11Hun kwelling bleef na het vertrek der eersten even groot als tevoren;
12Ja, een dubbele smart greep hen aan: Hun zuchten bij de herinnering aan het verleden.
13Toen ze immers vernamen, dat hun eigen plagen Voor de eersten in weldaad verkeerden, erkenden ze de hand des Heren.
14Want dien ze te vondeling hadden gelegd en spottend afgewezen, Moesten ze ten slotte bewondering schenken, Daar ze zelf een heel andere dorst leden dan de rechtvaardigen.
15Omdat ze, door hun dwaze, goddeloze gedachten misleid, Redeloos gedierte en nietige insecten vereerden, Hebt Gij hun een menigte redeloze dieren gezonden als straf,
16Om hun te leren, dat men gestraft wordt in hetgeen men misdoet.
17Want het was niet moeilijk geweest voor uw almachtige hand, Die toch de aarde gemaakt heeft uit vormloze stof, Hun een menigte beren te zenden of grimmige leeuwen,
18Of nieuw-geschapen, ongekende, woedende beesten. Beesten, die gloeiende adem uitsnuiven of sissende wolken rook, Of die vreselijke vonken uit de ogen schieten;
19Die niet slechts door hun geweld hen hadden kunnen verdelgen, Maar wier aanblik alleen hen van schrik had doen sterven.
20Ook zonder dat hadden ze door één windstoot kunnen vallen, Door uw wraakgericht achtervolgd, En voortgejaagd door uw machtige adem; Maar Gij hebt alles geordend naar maat, getal en gewicht.
21Zeker, Gij kunt overal uw grote macht ontplooien; Wie zou er kunnen weerstaan aan de kracht van uw arm?
22Want heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal, Als een dauwdruppel, die 's morgens neervalt op het land.
23Maar Gij ontfermt U over allen, omdat Gij alles vermoogt; Gij let niet op de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
24Want Gij omsluit in uw liefde alles wat er bestaat, En verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt. Ja, als Gij iets haat, hadt Gij het niet geschapen.
25Hoe zou iets kunnen bestaan, als Gij het niet wilt; Of iets kunnen standhouden, als Gij het niet roept?
26Maar Gij spaart alles, omdat het van U is, Gij, minnaar van al wat leeft, o Heer!
27
Wijsheid 11
1Zij heeft haar werken voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.
2Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op.
3Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.
4Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen.
5Want waardoor hun vijanden waren geplaagd geweest, [11:6] Daardoor werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden;
6[11:7] Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.
7[11:8] En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting.
8[11:9] Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd hadt.
9[11:10] Want toen zij zijn verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld zijnde, gepijnigd worden.
10[11:11] Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.
11[11:12] En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld.
12[11:13] Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan waren.
13[11:14] Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.
14[11:15] Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.
15[11:16] En in plaats van de onverstandige overleggingen hunner ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige dieren tot wraak toegezonden.
16[11:17] Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd.
17[11:18] Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.
18[11:19] Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.
19[11:20] Welker beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen.
20[11:21] Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.
21[11:22] Want groot vermogen is altijd bij u, en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?
22[11:23] Want de ganse wereld is voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, nederkomende op de aarde.
23[11:24] Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.
24[11:25] Want gij hebt alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid hebben.
25[11:26] En hoe zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?
26[11:27] Maar gij verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber der zielen.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 11
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 11 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 11:16
"Om hun te leren, dat men gestraft wordt in hetgeen men misdoet."
"[11:17] Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd."





