Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 7 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 7

1Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad;

2Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u.

3Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien.

4Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning;

5Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze.

6Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid.

7Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente;

8Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft.

9Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan.

10Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit.

11Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert.

12Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur.

13Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen.

14Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt.

15Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild.

16Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven.

17Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking.

18Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir.

19Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen.

20Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient;

21Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet.

22Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is.

23Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn.

24Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om.

25Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man.

26Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is.

27Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder.

28Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u?

29Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters;

30Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek.

31Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden.

32Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij.

33Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet.

34Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn;

35Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind.

36Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.

37

38

39

40

Sirach 7

1Doe geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.

2Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.

3Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve maaien.

4Begeer van de Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.

5Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.

6Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.

7Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.

8Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig zijn.

9Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.

10Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te geven.

11Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.

12Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.

13Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.

14Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.

15Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.

16Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.

17Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.

18Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.

19Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

20Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.

21Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.

22Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.

23Hebt gij kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.

24Hebt gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.

25Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.

26Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

27Eer uw vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.

28Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

29Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.

30Vrees de Here, en eer de priester.

31En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,

32Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,

33En de gaven der schouderen, en de offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige dingen.

34En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.

35[7:35] Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid niet. [7:36] Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

36[7:37] Wees niet traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult gij bemind worden. [7:38] In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.

Sirach 7

1Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad;

2Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u.

3Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien.

4Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning;

5Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze.

6Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid.

7Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente;

8Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft.

9Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan.

10Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit.

11Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert.

12Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur.

13Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen.

14Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt.

15Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild.

16Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven.

17Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking.

18Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir.

19Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen.

20Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient;

21Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet.

22Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is.

23Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn.

24Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om.

25Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man.

26Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is.

27Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder.

28Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u?

29Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters;

30Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek.

31Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden.

32Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij.

33Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet.

34Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn;

35Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind.

36Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.

37

38

39

40

Sirach 7:1
NlCanisius1939

Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad;

DutSVVA

Doe geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.

2
NlCanisius1939

Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u.

DutSVVA

Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.

3
NlCanisius1939

Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien.

DutSVVA

Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve maaien.

4
NlCanisius1939

Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning;

DutSVVA

Begeer van de Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.

5
NlCanisius1939

Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze.

DutSVVA

Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.

6
NlCanisius1939

Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid.

DutSVVA

Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.

7
NlCanisius1939

Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente;

DutSVVA

Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.

8
NlCanisius1939

Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft.

DutSVVA

Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig zijn.

9
NlCanisius1939

Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan.

DutSVVA

Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.

10
NlCanisius1939

Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit.

DutSVVA

Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te geven.

11
NlCanisius1939

Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert.

DutSVVA

Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.

12
NlCanisius1939

Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur.

DutSVVA

Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.

13
NlCanisius1939

Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen.

DutSVVA

Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.

14
NlCanisius1939

Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt.

DutSVVA

Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.

15
NlCanisius1939

Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild.

DutSVVA

Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.

16
NlCanisius1939

Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven.

DutSVVA

Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.

17
NlCanisius1939

Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking.

DutSVVA

Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.

18
NlCanisius1939

Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir.

DutSVVA

Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.

19
NlCanisius1939

Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen.

DutSVVA

Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

20
NlCanisius1939

Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient;

DutSVVA

Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.

21
NlCanisius1939

Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet.

DutSVVA

Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.

22
NlCanisius1939

Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is.

DutSVVA

Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.

23
NlCanisius1939

Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn.

DutSVVA

Hebt gij kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.

24
NlCanisius1939

Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om.

DutSVVA

Hebt gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.

25
NlCanisius1939

Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man.

DutSVVA

Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.

26
NlCanisius1939

Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is.

DutSVVA

Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

27
NlCanisius1939

Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder.

DutSVVA

Eer uw vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.

28
NlCanisius1939

Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u?

DutSVVA

Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

29
NlCanisius1939

Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters;

DutSVVA

Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.

30
NlCanisius1939

Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek.

DutSVVA

Vrees de Here, en eer de priester.

31
NlCanisius1939

Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden.

DutSVVA

En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,

32
NlCanisius1939

Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij.

DutSVVA

Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,

33
NlCanisius1939

Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet.

DutSVVA

En de gaven der schouderen, en de offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige dingen.

34
NlCanisius1939

Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn;

DutSVVA

En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.

35
NlCanisius1939

Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind.

DutSVVA

[7:35] Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid niet. [7:36] Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

36
NlCanisius1939

Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.

DutSVVA

[7:37] Wees niet traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult gij bemind worden. [7:38] In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.

37
NlCanisius1939

DutSVVA

38
NlCanisius1939

DutSVVA

39
NlCanisius1939

DutSVVA

40
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 7

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 7 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 7:16

NlCanisius1939

"Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven."

DutSVVA

"Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward