Sirach 6 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 6
1En word niet hun vijand in plaats van hun vriend. Verguizing en schande erft de lasteraar, Evenals de slechtaard met dubbele tong.
2Laat u niet door uw hartstocht beheersen, Want hij graast uw kracht af als een stier;
3Hij vreet uw blad, rukt af uw vruchten, En laat u achter als een dorre boom.
4Want onbeheerstheid brengt verderf over wie er aan toegeeft, En verschaft leedvermaak aan den vijand;
5Maar zachte woorden maken vele vrienden, En vriendelijke lippen worden gaarne gegroet.
6Leef met vele mensen op goede voet, Maar uw vertrouweling zij slechts één uit duizend.
7Wint ge een vriend, doe het door beproeving, En stel niet te gauw in hem uw vertrouwen.
8Want soms is men vriend, zolang het uitkomt, Maar blijft het niet bij tegenspoed;
9Menig vriend verkeert dan in vijand, En legt de twist tot uw schande uit.
10Vriend is hij, als hij uw tafel deelt; Maar men vindt hem niet in tijd van nood.
11Gaat het u goed, hij is het met u eens; Maar gaat het u slecht, hij gaat van u heen.
12Als het ongeluk u treft, keert hij zich van u af, En houdt zich voor u verborgen.
13Houd u dus ver van uw vijand, Maar wees voorzichtig met uw vrienden.
14Een trouwe vriend is een sterke burcht; Wie er een vindt, ontdekt een vermogen.
15Voor een trouwen vriend bestaat geen prijs, Zijn waarde is niet te betalen.
16Een trouwe vriend is een buidel des levens; Wie God vreest, zal hem bekomen.
17Wie den Heer vreest, is trouw in de vriendschap; Want zoals men zelf is, zo is ook de vriend.
18Derde reeks. De wijsheid en onze maatschappelijke plichten. Inleiding. Aansporing tot beoefening der wijsheid. Mijn zoon, streef van uw jeugd af naar tucht, En tot in ouderdom zult ge wijsheid vinden.
19Nader tot haar als een ploeger en maaier, En wacht dan op haar rijke oogst; Want in haar dienst behoeft ge maar weinig te zwoegen, Om weldra haar vruchten te eten.
20Hinderlijk is ze slechts voor den dwaas, En de onverstandige kan haar niet dragen;
21Zij drukt op hem als een zware steen, Hij zal niet aarzelen, haar af te werpen.
22Want de tucht is, zoals het woord het zegt; Daarom is ze slechts weinigen welkom.
23Mijn zoon, luister, en aanvaard mijn les; Versmaad mijn raadgeving niet.
24Steek uw voeten in haar boeien, En uw hals in haar gareel;
25Zet uw schouder er onder en draag ze, En laat haar banden u niet verdrieten.
26Nader tot haar met heel uw ziel, En houd haar wegen met al uw kracht.
27Vraag en vors; zoek en ge zult vinden; En hebt ge haar vast, laat ze niet weer los.
28Want tenslotte vindt ge er rust, En wordt zij voor u een genot.
29Haar net wordt u dan een sterke burcht, En haar boeien een kleed van brokaat;
30Haar juk wordt een sieraad van goud, Haar banden purperen snoeren.
31Dan trekt zij u een feestkleed aan, En siert u met een heerlijke kroon.
32Mijn zoon, als ge er lust in hebt, wordt ge wijs, En verstandig, als ge uw hart er op zet;
33Als ge komt om te luisteren En uw oor open zet, wordt ge wijs.
34
35Luister dus graag naar iedere onderrichting, En laat geen wijze spreuk u ontgaan.
36Zie wie er wijs is, en ga dien bezoeken; Uw voet verslijte zijn drempel.
37Uw gedachte blijve bij de vreze des Allerhoogsten, En uw peinzen bij zijn geboden; Dan zal Hij uw hart verstandig maken En u wijsheid geven, zoveel ge begeert.
Sirach 6
1Word geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.
2Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.
3Gij zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre boom.
4Een boze ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden.
5Een zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.
6Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.
7Zo gij een vriend wilt verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.
8Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.
9Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.
10Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.
11Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.
12Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.
13Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.
14Een getrouw vriend is een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die heeft een schat gevonden.
15Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner schoonheid.
16Een getrouw vriend is een medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.
17Die de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.
18Mijn kind, verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren toe zult gij wijsheid vinden;
19En verbeid haar goede vruchten.
20Want in haar werking zult gij wel een weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar gewas eten.
21Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar.
22Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.
23Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.
24Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet;
25En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.
26Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen vijand.
27Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.
28Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.
29Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;
30En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd.
31Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten draad.
32Gij zult haar aantrekken als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon der vrolijkheid.
33Indien gij zult willen, mijn kind, zo zult gij onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe begeeft, zo zult gij geheel kloek worden.
34Indien gij liefde zult hebben om te horen, zo zult gij verstand krijgen, en indien gij uw oor zult neigen, zo zult gij wijs worden.
35Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.
36Indien gij een verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.
37Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 6
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 6 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 6:16
"Een trouwe vriend is een buidel des levens; Wie God vreest, zal hem bekomen."
"Een getrouw vriend is een medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden."





