Sirach 50 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 50
1Is Sjimon, de zoon van Onias, de hogepriester! In zijn dagen werd de tempel hersteld, Het heiligdom in die tijd versterkt;
2In zijn dagen werd de muur herbouwd, De torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis.
3In zijn tijd werd de vijver gegraven, Een bekken als een bruisende zee;
4Hij verdedigde zijn volk tegen den rover, En versterkte zijn stad tegen den vijand.
5Hoe heerlijk was hij, als hij uit het tabernakel schouwde, En naar buiten trad achter het voorhangsel uit:
6Als een ster, die tussen de wolken straalt, Als de volle maan in de dagen van Pasen!
7Als een zon, die straalt over het paleis van een vorst, Als een regenboog, die tussen de wolken verschijnt;
8Als een bloeiende twijg in zomerdagen, Als een lelie bij de waterbeken. Als het gewas van de Libanon in de tijd van de oogst,
9Als brandende wierook op de offerpan; Als gouden vaatwerk, van gedegen goud, Met kostbare stenen bezet.
10Als een groene olijf, beladen met vruchten, Als een wilde olijf, met welige takken:
11Wanneer hij zich met het heerlijk gewaad had omhangen, En in zijn volle pracht was gekleed. Wanneer hij het grote altaar besteeg, Sierde hij de heilige omloop er van;
12Dan nam hij de offers uit de hand van zijn broeders, Terwijl hij op de offerhaard stond. Een krans van zonen stond om hem heen, Als jonge ceders op de Libanon: Zij omringden hem als wilgen rond het water,
13Al de zonen van Aäron in hun plechtig gewaad. Zij hielden Jahweh's offers in hun handen, Voor heel de gemeente van Israël;
14Totdat hij de dienst aan het altaar had voleind, En het offer aan den Allerhoogste gebracht.
15Dan strekte hij de hand naar het plengoffer uit, En plengde het bloed van de druif; Hij goot het uit aan de voet van het altaar, Als een welriekende geur voor den Allerhoogste.
16Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste.
17Dan viel ijlings al het volk gezamenlijk neer Met het aangezicht op de grond, Om aan den Allerhoogste aanbidding te brengen, Aan den Heilige van Israël.
18Dan liet het koor zijn stem weerklinken, En boven de menigte zijn zangen weerschallen;
19En al het volk juichte mee, Biddend voor het aanschijn van den Barmhartige. Wanneer hij dan de dienst aan het altaar had voleind, En aan God had gebracht, wat Hem toekomt,
20Dan daalde hij af, en strekte zijn handen Over heel de gemeente van Israël uit. Dan was de zegen van Jahweh op zijn lippen, En tooide hij zich met Jahweh's Naam;
21En wederom vielen allen neder, Om de zegen van hem te ontvangen.
22Zegent dan Jahweh, Israëls God, Die wonderen wrocht op de aarde; Die den mens doet opgroeien van de moederschoot af, En met hem doet naar zijn welbehagen.
23Hij geve u wijsheid des harten En vrede zij in uw dagen!
24Zijn liefde blijve aan Sjimon behouden; Hij bevestige voor hem het verbond met Pinechas, Dat Hij sloot met hem en zijn geslacht, Zolang de hemel bestaat.
25Maar twee volkeren worden door mij gehaat, En het derde volk telt niet mee:
26De bewoners van Seïr en de Filistijnen, En het dwaze volk, dat in Sikem woont.
27Onderricht, wijsheid en passende spreuken, Van Jesus, den zoon van Elazar, zoon van Sirach: Die uit zijn hart uitleg deed stromen En inzicht liet ontspringen als een bron.
28Gelukkig de man, die ze overdenkt; Want wie ze ter harte neemt, wordt wijs.
29Wie ze volbrengt, is tot alles bekwaam; Want de vreze des Heren is zijn richtsnoer.
30
31
Sirach 50
1Simon, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.
2Onder hem is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, de hoge omgang des tempels.
3In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo veel.
4Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.
5Gij hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.
6Gij waart gelijk de morgenster in het midden der wolken, gelijk de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk de regen boog de heerlijke wolken verlicht.
7Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;
8Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;
9Gelijk een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is;
10Gelijk een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.
11In het opklimmen tot het heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding.
12En als hij de gedeelten der offeranden uit de hand der priesters ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het altaar.
13Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;
14En voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren de offerande des Allerhoogsten en des almachtigen,
15Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van het druivenbloed,
16Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles.
17Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis voor de Aller hoogste.
18Dan haastte al het volk in het gemeen, en viel op hun aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden.
19En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang.
20En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol eindigd was het versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.
21Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.
22En zij baden ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.
23En nu dankt de God aller dingen, die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.
24En bidt dat het vrede worde in onze dagen in Israël, gelijk het in de dagen der vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen.
25Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk:
26Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die in der Filistijnen land wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.
27Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.
28Zalig is hij, die zich in deze dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden.
29Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam zijn, dewijl het licht des Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden wijsheid. [50:30] Geprezen zij de Here in der eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 50
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 50 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 50:16
"Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste."
"Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles."





