Sirach 51 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 51
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
2Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood; Gij hebt mijn lichaam voor het bederf bewaard, Mijn voeten aan de greep van de onderwereld ontrukt! Gij hebt mij gered van de gesel van lastertongen, Van lippen, die leugentaal uitslaan; Gij hebt mij bijgestaan tegen mijn vijand,
3En naar uw grote barmhartigheid mij bevrijd Uit de strikken van hen, die loerden op buit, Uit de hand van hen, die mijn leven belaagden. Gij hebt mij verlost uit grote benauwing,
4Uit de vlammennood, die mij omgaf; Midden uit het vuur, dat zonder rust oplaaide,
5Uit de dorre schoot van het dodenrijk; Van vuile lippen en lasterpraat,
6En de pijlen van valse tongen. Mijn ziel was gekomen tot dicht bij de dood, Mijn leven dicht bij de onderwereld;
7Ik wendde mij naar alle kant, Maar er was niemand, die hielp; Ik zag uit naar een stut, Maar er was er niet één.
8Toen dacht ik aan Jahweh's barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
9Daarom verhief ik mijn stem van omlaag, Van de poorten der onderwereld rees mijn gebed.
10Ik riep: “Jahweh, mijn Vader zijt Gij, Gij zijt de Held, die mij redt! Verlaat mij niet op de dag van benauwing, Op de dag van val en ondergang. Dan zal ik altijd uw Naam blijven loven, U blijven roemen in mijn gebed.“
11" En Jahweh luisterde naar mijn stem, En gaf gehoor aan mijn smeken; Hij verloste mij van alle kwaad, En redde mij op de dag van benauwing.
12Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh!
13Toen ik nog jong was en niet rondreisde, Vroeg ik reeds wijsheid in mijn gebed;
14Voor de ingang van de tempel bad ik erom, En hield niet op, er naar te streven.
15Zij gedijde als een rijpende druif, En mijn hart vond in haar zijn genot. Mijn voet ging de weg van haar waarheid, Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor;
16Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden.
17Haar juk werd mijn roem; Hem, die mij leerde, geef ik de eer.
18Zonder rust zag ik naar haar uit, En werd niet beschaamd, want ik heb haar gevonden.
19Mijn ziel bleef haar altijd verkleefd; Ik zocht haar bij al mijn daden. Mijn hand opende haar poort; Ik trad bij haar binnen en aanschouwde haar.
20Ik legde mij erop toe, haar te volgen, En heb haar in reinheid gevonden. Van de aanvang af heb ik door haar inzicht verkregen; Daarom zal ik haar nimmer verlaten.
21Mijn binnenste brandde om haar te vinden; Daarom verwierf ik een heerlijk bezit.
22Jahweh gaf mij welbespraaktheid als loon; Daarom prijs ik Hem met mijn tong.
23Komt dus tot mij, onverstandigen, En wilt in mijn leerschool vertoeven.
24Hoelang nog wilt gij dit alles ontberen, Terwijl uw ziel er naar dorst?
25Ik open mijn mond, en roep u toe: Koopt u wijsheid zonder geld;
26Buigt uw nek onder haar juk, Uw ziel drage haar last. Zij is dicht bij hen, die haar zoeken, En wie zich moeite geeft, zal haar vinden.
27Ziet met eigen ogen, hoe weinig ik zwoegde, En hoe groot de rust is, die ik vond.
28Luistert in uw jeugd naar mijn onderricht; Gij verwerft daardoor veel zilver en goud.
29Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur.
30Verricht uw werken in gerechtigheid, En Hij geeft u te zijner tijd uw loon!
31
32
33
34
35
36
37
38
Sirach 51
1Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach; IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.
2Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;
3En van de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.
4Gij hebt mij verlost naar de menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden;
5Uit de hand dergenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die ik gehad heb;
6Van de verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;
7Uit de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.
8Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf.
9Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was geen.
10Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle tijden.
11Dat gij degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen verlost uit de hand der vijanden.
12En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood.
13Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.
14Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden, en u lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest.
15Want gij hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.
16Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam danken.
17Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.
18Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.
19Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.
20Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.
21Ik hem mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;
22En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.
23Degene die mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven.
24Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal geenszins te schande worden. [51:25] Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.
25[51:26] Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt. [51:27] Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden.
26[51:28] Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden. [51:29] Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.
27[51:30] De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen. [51:31] Gemaakt tot mij, gij die niet onderwezen zijt, en overnacht in het huis der onderwijzing. [51:32] Wat vertraagt gij? of wat zegt gij hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.
28[51:33] Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld. [51:34] Legt uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.
29[51:35] Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb, en heb voor mijzelf veel rust gevonden. [51:36] Weest deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult gij in haar bezitten.
30[51:37] Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen. [51:38] Werkt uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 51
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 51 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 51:16
"Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden."
"Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam danken."





