Sirach 47 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 47
1Na hem trad Natan op, En stond voor het aanschijn van David.
2Ja, zoals het vet wordt afgezonderd van het offer, Zo David van Israël.
3Hij speelde met leeuwen als met lammeren, Met beren als met jonge schapen.
4In zijn jonge jaren sloeg hij den reus, En nam de schande weg van het volk; Door de hand aan de slinger te slaan, Brak hij de trots van Goliat.
5Want hij riep tot den allerhoogsten God, En Deze gaf kracht aan zijn hand, Om den ervaren krijgsman neer te vellen, En de hoorn van zijn volk te verheffen.
6Daarom zongen de meisjes hem toe, En prezen hem met ‘Tienduizend’. Toen hij de kroon droeg, voerde hij krijg,
7En vernederde den vijand in het rond; Hij sloeg de grimmige Filistijnen te pletter, En brak hun hoorn tot de dag van vandaag.
8Bij al zijn daden gaf hij lof Aan den allerhoogsten God in psalmgezangen. Hij beminde zijn Schepper uit geheel zijn hart, En loofde Hem iedere dag opnieuw;
9Hij zorgde voor muziekinstrumenten bij het altaar, Voor harpen bij het psalmenzingen.
10Zo zette hij luister bij aan de feesten, En vierde ze het hele jaar door; Van het loven van zijn heilige Naam Weerschalde het heiligdom reeds voor de dageraad.
11Jahweh vergaf hem ook zijn zonden, En verhief voor immer zijn hoorn. Want Hij gaf hem recht op het koningschap En bevestigde zijn troon over Israël;
12Om zijnentwil stond een zoon na hem op, Een wijs man, die ongestoord woonde.
13Salomon was koning in dagen van vrede; Want God schonk hem rust in het rond, Opdat hij zijn Naam een huis zou bouwen, En een heiligdom zou stichten voor immer.
14Wat bezat gij verstand in uw jeugd, En vloeide gij over van wijsheid als de Nijl.
15Gij hebt de aarde bedekt met uw geest, En haar met raadselspreuken vervuld.
16Uw naam drong tot de verre eilanden door; Gij waart bemind om uw vrede.
17Door zangen en spreuken, door raadsels en verzen, Hebt gij de volkeren in verbazing gebracht.
18Gij werdt genoemd naar de heerlijke Naam, Die over Israël wordt aangeroepen. Maar gij hebt goud verzameld als ijzer, En zilver opgehoopt als lood;
19Gij hebt uw lenden gegeven aan vrouwen, En haar laten heersen over uw lichaam.
20Zo hebt gij een smet geworpen op uw roem; Gij hebt uw sponde ontwijd, Zodat gij toorn bracht over uw geslacht En zuchten over uw huis;
21Het volk viel in twee rijken uiteen, Uit Efraïm groeide een onwettig rijk.
22Maar God trekt zijn barmhartigheid niet terug; Hij laat geen van zijn beloften zonder vervulling; Hij houwt de stam van zijn uitverkorenen niet af, Roeit het geslacht niet uit van wie Hem beminnen, Neen, Hij laat aan Jakob een rest, Aan het huis van David een nieuwe spruit!
23Salomon ontsliep hoogbejaard, En liet een zoon na, vol overmoed, Groot in dwaasheid en klein van verstand, Roboam, die door zijn besluit het volk deed afvallen.
24Toen stond er een op: zijn aandenken worde vergeten: Jeroboam, de zoon van Nebat. Hij was het, die Israël tot zonde bracht, En ergernis gaf aan Efraïm.
25Want hun zonde werd hoe langer hoe groter, En zij gaven zich over aan allerlei kwaad; Totdat de vergelding over hen kwam, En zij verdreven werden uit hun land.
26
27
28
29
30
31
Sirach 47
1Na deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.
2Gelijk het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de kinderen Israëls.
3Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes, en onder beren, gelijk onder lammeren.
4In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg.
5Toen hij zijn hand ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.
6Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver hogen.
7Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid gebracht werd.
8Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.
9In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.
10Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had.
11En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,
12Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven.
13De Here heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in Israël.
14Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.
15Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.
16Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom.
17Uw ziel heeft de ganse aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld.
18Uw naam is verre tot in de eilanden gekomen, en gij zijt bemind geweest in uw vrede.
19De landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen.
20In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;
21En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.
22Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk ontstond.
23[47:23] Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet, en werd gans niet afgewend van zijn werken. [47:24] Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg. [47:25] En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.
24[47:26] En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad.
25[47:27] Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer; [47:28] Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 47
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 47 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 47:16
"Uw naam drong tot de verre eilanden door; Gij waart bemind om uw vrede."
"Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom."





