Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 41 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 41

1Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.

2Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.

3Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft;

4Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.

5Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht.

6Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht.

7De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht.

8Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat!

9Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.

10Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere.

11De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan.

12Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten.

13Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal.

14Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide?

15Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.

16Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.

17Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen;

18Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw;

19Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden;

20Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel;

21Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet;

22Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon,

23Over het blikken naar andermans vrouw,

24Over gemeenschap met haar dienstmaagd;

25Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft;

26Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking.

27Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!

28

Sirach 41

1O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.

2Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.

3O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.

4Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, en omtrent alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de lijdzaamheid verloren heeft.

5Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.

6En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?

7Of gij tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.

8Der zondaren kinderen worden gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen te zamen verkeren.

9Het erfdeel van de kinderen der zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft gedurig versmaadheid.

10Een goddeloze vader schelden zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.

11Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.

12Want indien gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien gij geboren wordt, zo wordt gij tot een vloek geboren, en indien gij sterft, zo wordt gij de vloek tot een deel.

13Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan de goddelozen naar het verderf.

14De mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, doch de boze naam der mensen zal uitgewist worden. [41:15] Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten gouds.

15[41:16] Een goed leven heeft een. zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid. [41:17] Mijn kinderen, bewaart de tucht in vrede.

16[41:18] De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nuttigheid heeft men van beide? [41:19] Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.

17[41:20] Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.

18[41:21] Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen; [41:22] Voor een rechter en overste vanwege mishandeling, voor een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding der wet. [41:23] Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar gij als vreemdeling woont, vanwege dieverij;

19[41:24] Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.

20[41:25] Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.

21[41:26] Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft. [41:27] Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.

22[41:28] Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet. [41:29] Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken; [41:30] Gij zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen.

Sirach 41

1Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.

2Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.

3Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft;

4Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.

5Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht.

6Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht.

7De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht.

8Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat!

9Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.

10Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere.

11De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan.

12Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten.

13Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal.

14Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide?

15Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.

16Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.

17Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen;

18Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw;

19Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden;

20Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel;

21Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet;

22Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon,

23Over het blikken naar andermans vrouw,

24Over gemeenschap met haar dienstmaagd;

25Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft;

26Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking.

27Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!

28

Sirach 41:1
NlCanisius1939

Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.

DutSVVA

O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.

2
NlCanisius1939

Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.

DutSVVA

Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.

3
NlCanisius1939

Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft;

DutSVVA

O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.

4
NlCanisius1939

Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.

DutSVVA

Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, en omtrent alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de lijdzaamheid verloren heeft.

5
NlCanisius1939

Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht.

DutSVVA

Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.

6
NlCanisius1939

Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht.

DutSVVA

En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?

7
NlCanisius1939

De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht.

DutSVVA

Of gij tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.

8
NlCanisius1939

Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat!

DutSVVA

Der zondaren kinderen worden gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen te zamen verkeren.

9
NlCanisius1939

Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.

DutSVVA

Het erfdeel van de kinderen der zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft gedurig versmaadheid.

10
NlCanisius1939

Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere.

DutSVVA

Een goddeloze vader schelden zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.

11
NlCanisius1939

De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan.

DutSVVA

Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.

12
NlCanisius1939

Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten.

DutSVVA

Want indien gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien gij geboren wordt, zo wordt gij tot een vloek geboren, en indien gij sterft, zo wordt gij de vloek tot een deel.

13
NlCanisius1939

Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal.

DutSVVA

Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan de goddelozen naar het verderf.

14
NlCanisius1939

Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide?

DutSVVA

De mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, doch de boze naam der mensen zal uitgewist worden. [41:15] Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten gouds.

15
NlCanisius1939

Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.

DutSVVA

[41:16] Een goed leven heeft een. zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid. [41:17] Mijn kinderen, bewaart de tucht in vrede.

16
NlCanisius1939

Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.

DutSVVA

[41:18] De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nuttigheid heeft men van beide? [41:19] Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.

17
NlCanisius1939

Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen;

DutSVVA

[41:20] Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.

18
NlCanisius1939

Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw;

DutSVVA

[41:21] Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen; [41:22] Voor een rechter en overste vanwege mishandeling, voor een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding der wet. [41:23] Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar gij als vreemdeling woont, vanwege dieverij;

19
NlCanisius1939

Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden;

DutSVVA

[41:24] Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.

20
NlCanisius1939

Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel;

DutSVVA

[41:25] Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.

21
NlCanisius1939

Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet;

DutSVVA

[41:26] Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft. [41:27] Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.

22
NlCanisius1939

Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon,

DutSVVA

[41:28] Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet. [41:29] Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken; [41:30] Gij zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen.

23
NlCanisius1939

Over het blikken naar andermans vrouw,

DutSVVA

24
NlCanisius1939

Over gemeenschap met haar dienstmaagd;

DutSVVA

25
NlCanisius1939

Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft;

DutSVVA

26
NlCanisius1939

Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking.

DutSVVA

27
NlCanisius1939

Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!

DutSVVA

28
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 41

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 41 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 41:16

NlCanisius1939

"Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed."

DutSVVA

"[41:18] De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nuttigheid heeft men van beide? [41:19] Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward