Sirach 40 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 40
1Grote kommer heeft God beschikt, Een zwaar juk drukt op den mens Van de dag af, dat Hij komt uit de schoot van zijn moeder, Tot de dag, dat hij terugkeert tot de moeder van allen!
2Angstige bezorgdheid en hartevrees, Zorg voor de toekomst tot aan de dag van de dood
3Is het lot van hem, die op een eretroon zetelt, Als van hem, die neerzit in zak en as;
4Van hem, die de mijter draagt met gouden band, Als van hem, die gekleed gaat in dierenvellen. Toorn, naijver, zorg en vrees, Angst voor de dood, twist en strijd zijn zijn deel,
5Zelfs als hij rust op zijn legerstede, Ontstelt de nachtelijke slaap nog zijn hart;
6Een kort ogenblik slechts heeft hij rust, Dan ziet hij in de droom, als was hij klaar wakker.
7Hij slaat op de vlucht voor de droom van zijn geest, Als een vluchteling, die wegholt voor zijn vervolger; Maar is hij ontkomen, dan schiet hij wakker, En ziet verbaasd, dat hij niets had te vrezen.
8Op alle vlees van mens en dier, Maar op den zondaar zevenvoudig,
9Drukt pest en bloed, en koorts en zwaard, Verwoesting, vernieling, honger en dood.
10Wel werd om den slechte het zwaard geschapen, En komt de ondergang om zijnentwil;
11Maar al wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde, Doch wat van boven komt, naar boven.
12Ieder onrechtvaardig geschenk gaat te niet, Maar eerlijkheid houdt eeuwig stand.
13Onrechtvaardig goed is als een woeste stroom, Als een machtige vloed bij een onweersbui:
14Ze rukken wel rotsen mee in hun vaart, Maar weldra zijn ze voor altijd voorbij.
15Een goddeloos geslacht zal geen loten doen spruiten; Want de wortel van den boze ligt op puntige rotsen.
16Het riet aan de oever van de stroom, Verdwijnt vóór alle andere planten:
17Maar de liefde wijkt in eeuwigheid niet, En rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.
18Een leven van wijn en most mag zoet zijn, Maar daarboven gaat het, een schat te vinden;
19Kind en stad houden de naam in stand, Maar daarboven gaat, wie wijsheid vindt. Vee en land verhogen het aanzien, Maar daarboven gaat een wijze vrouw;
20Wijn en lied verblijden het hart, Maar daarboven gaat de liefde van vrienden.
21Luit en harp veraangenamen het lied, Maar daarboven gaat een zachte tong;
22Schoonheid en bevalligheid trekken het oog, Maar daarboven gaat het gewas op het veld.
23Vriend en makker geven op tijd hun raad, Maar daarboven gaat een verstandige vrouw;
24Broer en helper steunen in tijden van nood, Maar daarboven gaat de hulp van de deugd.
25Goud en zilver schragen de voet, Maar daarboven gaat een goede raad;
26Rijkdom en weelde verblijden het hart, Maar daarboven gaat de vreze Gods. Bij de vreze Gods is er aan niets gebrek, Naast haar behoeft men geen andere hulp;
27De vreze Gods is als een paradijs vol zegen, Een baldakijn, dat alle glorie overtreft.
28Mijn zoon, wil niet van aalmoezen leven; Beter dood dan een bedelaar.
29Een man, die naar andermans tafel moet snakken, Diens leven heet geen leven meer. Men bezoedelt zich met gekregen brokken; Een verstandig man krijgt er maagpijn van.
30Een brutale mond smaakt het gebedelde zoet; Maar in zijn binnenste brandt het als vuur.
31
32
Sirach 40
1Voor eenieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.
2Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de dag des doods;
3Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as.
4Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.
5Hij bekomt gramschap en nijdigheid, ontroering en beweging, en vrees des doods, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.
6Hij heeft weinig, en gelijk als geen rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.
7Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.
8Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.
9Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en der verplettering, en van de gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.
10Al wat van aarde is, keert wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder naar de zee.
11Alle geschenk en ongerechtigheid zal uitgedelgd worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.
12De goederen der onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en gelijk een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven.
13Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; gelijk degenen die overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.
14De nakomelingen der goddelozen zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortelen liggen op een steile steenrots.
15Hun groente aan alle water en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt worden.
16Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.
17Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven.
18Kinderen, en opbouw der stad onderstutten de naam.
19Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.
20De fluit en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan beide.
21Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.
22Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.
23Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, maar een aalmoes verlost meer dan beide.
24Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.
25Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.
26Daar is in de vreze des Heren geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken.
27De vreze des Heren is gelijk een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die.
28Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen.
29Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.
30Maar een verstandig man. en die onderwezen is, wacht zich daarvan. [40:31] In de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 40
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 40 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 40:16
"Het riet aan de oever van de stroom, Verdwijnt vóór alle andere planten:"
"Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid."





