Sirach 38 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 38
1Houd den arts te vriend, voordat ge hem nodig hebt; Want ook hij is door God geschapen.
2Van God heeft de arts zijn kennis, Van den koning zelfs krijgt hij geschenken.
3De geneesheer wordt om zijn kennis geëerd, En staat voor vorsten als hun gelijke.
4God doet uit de aarde artsenijen ontspruiten; Een verstandig mens veracht ze dus niet.
5Werd het water niet zoet door het hout, Opdat iedereen zijn kracht zou kennen?
6Zo gaf Hij ook aan de mensen kennis, Om door haar kracht beroemd te worden.
7Door haar stilt de geneesheer de smart, Bereidt de apotheker balsem;
8Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde.
9Mijn zoon, maak u bij ziekte niet ongerust; Maar bid tot God, want Hij geneest.
10Vlucht de zonde, volbreng het goede, En reinig uw hart van alle kwaad;
11Breng een wierookoffer van zoete geur, En offer vet, zoveel ge kunt.
12Doch maak ook plaats voor den arts, Stoot hem niet af, want ge hebt hem nodig;
13Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden.
14Want ook hij bidt tot God, Dat Hij zijn onderzoek doet slagen En de genezing, tot behoud van het leven.
15Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts.
16Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood.
17Treur, mijn zoon, zing uw klaagzang uit, En rouw over hem, zoals het behoort: Eén dag, twee dagen zelfs ter voorkoming van opspraak, Maar getroost u dan in uw smart.
18Droefheid immers kan slechts schaden, Want treurigheid ondermijnt de kracht.
19Is de dode begraven, dan wijke de smart; Want het leven van een bedroefde is een vloek.
20Laat uw hart zich niet langer aan hem hechten; Denk niet meer aan hem, maar denk aan uw einde.
21Gedenk hem niet meer, want voor hem geen hoop! Hem brengt ge geen nut, en uzelf doet ge schade.
22Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: Gisteren hem en heden u.
23Als de dode rust, moet ook zijn aandenken rusten; Als zijn ziel is verscheiden, moet ge u troosten.
24De wijsheid van den schriftgeleerde moet steeds groeien; Slechts wie vrij is van zaken, kan kennis verwerven.
25Hoe zou wijs kunnen worden, wie de ploeg hanteert, En trots de drijversstok zwaait als een lans; Die de koeien uitdrijft en schreeuwend ze terugleidt, En alleen maar kan praten met kalven:
26Hij wijdt zijn hart aan het eggen der vorens. Zijn zorg aan het mesten van de stal.
27Zo ook iedere arbeider en ambachtsman, Die dag en nacht hun werk verrichten,
28Zo ook de smid, die bij zijn aambeeld hurkt, En vol aandacht het ruwe ijzer bekijkt; De rook van het vuur verschrompelt zijn vlees, Hij vecht tegen de gloed van de oven; Het slaan van de hamer verdooft hem de oren, Zijn ogen zijn op het model gericht: Hij wijdt zijn hart aan de voltooiing van zijn werk, Zijn zorg aan het polijsten, als het gereed is.
29Zo ook de pottenbakker, die bij zijn werk gezeten, Met zijn voeten de draaischijf beweegt; Die steeds bekommerd is om zijn bedrijf, En altijd zwoegt om een groot getal.
30Hij geeft met zijn arm een vorm aan de klei, En kneedt met zijn voeten haar stugheid: Hij wijdt zijn hart aan het beste glazuur, Zijn zorg aan het bakken in de oven.
31Zij allen vertrouwen op hun handen, En ieder is wijs in zijn eigen werk;
32Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, En kan men wonen, noch reizen.
33Maar in de vergadering zijn ze niet in tel, En ze zitten niet op de stoel van den rechter; Want van wet en oordeel hebben ze geen verstand,
34En wijsheidsspreuken kennen ze niet. Maar enkel wereldse zaken verzorgen, En al hun aandacht besteden aan hun vak. Ze snijden figuren op zegelringen, En weven steeds maar wisselende kleuren: Hij wijdt zijn hart aan de gelijkenis der beelden, Zijn zorg aan het voltooien van zijn werk.
35
36
37
38
39
Sirach 38
1Eer de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.
2Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd.
3De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.
4De Here heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet.
5Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?
6Hij heeft de mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te worden.
7Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.
8De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem.
9Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.
10Sta af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.
11Geef de Here een welriekende reuk, en een gedachtenis van meelbloem, en breng hem een vette offerande, als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.
12Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.
13Daar is mischien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is.
14Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing om te mogen leven.
15Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen.
16Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.
17Ween bitter, en wees vurig in het geklag;
18En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.
19Want van droefheid komt de dood, en droefheid des harten kromt de sterken.
20Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.
21Begeef uw hart niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde;
22Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.
23Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.
24Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.
25De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.
26Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?
27Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.
28Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.
29Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.
30Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken, en waakt om het werk te voleinden. [38:31] Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.
31[38:32] De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het vat. [38:33] Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voleindigd zijn.
32[38:34] Desgelijks een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal. [38:35] Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid. [38:36] Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.
33[38:37] Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk. [38:38] Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.
34[38:39] Op de stoel der rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn. [38:40] Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen. [38:41] In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 38
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 38 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 38:16
"Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood."
"Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet."





