Sirach 34 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 34
1Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek;
2Zoals iemand naar een schaduw grijpt of de wind najaagt, Zo is hij, die op dromen vertrouwt.
3Een droomgezicht: dat is het een in plaats van het ander; In plaats van een gelaat de schim van een gelaat.
4Wat reins kan er komen van iets dat onrein is; En welke waarheid van de leugen?
5Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt.
6Komen ze niet van den Allerhoogste als een openbaring, Schenk er dan geen aandacht aan.
7Want de droom heeft reeds velen bedrogen, En die er op hoopten, teleurgesteld;
8Maar de Wet gaat zonder bedrog in vervulling, De wijsheid in de mond van wetsgetrouwen komt uit.
9Een man van ervaring weet veel; Want wie veel heeft beleefd, kan verstandig spreken.
10Wie niets ondervond, weet weinig; Maar wie veel heeft gereisd, deed veel kennis op.
11Veel heb ik gezien op mijn tochten, En mij overkwam veel meer dan ik zeg:
12Zelfs was ik vaak in doodsgevaren, Maar door Gods hulp werd ik eruit gered.
13De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld.
14Wie Jahweh vreest, is niet beangst En niet versaagd, want Hij zelf is zijn hoop.
15Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun?
16De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen;
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
18Een offer uit onrechtvaardig goed is een bezoedeld offer; Zo'n bespotting van de zondaren vindt geen behagen.
19De offers der zondaars zijn niet welgevallig aan God, En om de veelheid der offers vergeeft Hij geen zonden.
20Al wie een zoon vermoordt voor het oog van zijn vader, Is hij, die offers brengt uit het bezit van de armen.
21Het brood der behoeftigen is het leven der armen, En wie er van rooft, is een man des bloeds;
22Wie den naaste zijn levensonderhoud ontrooft, is een moordenaar, En wie het loon onthoudt aan zijn knecht, vergiet bloed.
23De een bouwt op, de ander breekt af; Wat hebben zij er meer van dan last?
24De een bidt en de ander vloekt; Naar wiens stem zal Jahweh nu horen?
25Zo iemand na zijn reiniging weer een lijk aanraakt, Wat baat hem dan zijn reiniging?
26Zo is het met hem, die vast om zijn zonden, En daarna weer hetzelfde gaat doen. Wie zal er luisteren naar zijn gebed; Wat baat hem dan zijn kastijding?
27
28
29
30
31
Sirach 34
1De hoop van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en dromen maken vleugelen voor de onwijze.
2Gelijk een die naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.
3Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over.
4Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen?
5Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood is.
6Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.
7Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop hoop ten, zijn gevallen.
8Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.
9Een man, die gedwaald heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen.
10Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.
11Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft.
12Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.
13De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.
14Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.
15Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, want hij is zijn hoop.
16Zalig is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?
17De ogen des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.
18Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.
19Die van onrechtvaardig goed offert, diens offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen behagen God niet.
20De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.
21Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.
22Het brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen daarvan berooft, is een doodslager.
23Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.
24En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.
25Als de een bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?
26Als de een bidt en de andere vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?
27Als iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, en die weder aanraakt, welke nuttigheid heeft hij van zijn wassing?
28Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?
29
30
31
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 34
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 34 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 34:16
"De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen;"
"Zalig is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?"





