Sirach 33 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 33
1Wie Jahweh vreest, hem treft geen onheil; En wordt hij beproefd, hij wordt telkens bevrijd.
2Het is niet verstandig, de Wet te haten, Want men verliest de koers als een schip in de storm.
3Een verstandig man geeft acht op Gods woord, En vertrouwt op zijn Wet als op een orakel.
4Bereid uw zaak voor en handel dan; Zorg eerst voor een rusthuis en neem dan rust.
5Als het rad van een wagen is het hart van een dwaas, Als een wentelend wiel zijn gedachten.
6Wie telkens wisselt van vriend, gelijkt op een hengst, Die hinnikt onder iederen ruiter.
7Waarom verschilt de ene dag van de ander? Het licht komt toch van dezelfde zon!
8Door Jahweh's wijsheid zijn ze onderscheiden, Sommige er van zijn dagen van feest;
9Want sommige heeft Hij gezegend en geheiligd, En andere tot gewone dagen gemaakt.
10Zo is iedere mens uit stof, Omdat de mens uit aarde is gemaakt.
11Maar Jahweh's wijsheid deed hen uiteengaan, En maakte hun wegen verschillend.
12Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven; Hen geheiligd, en tot Zich getrokken; Anderen heeft Hij gevloekt en vernederd, En ze verdreven uit hun woonsteden.
13Zoals de klei in de hand van den pottenbakker Vorm ontvangt naar zijn verkiezing, Zo is de mens in de hand van zijn Schepper: Van Hem ontvangt hij zijn taak.
14Tegenover het kwaad staat het goed, Tegenover het leven de dood; Tegenover den goede staat de slechte, Zoals licht tegenover duisternis staat.
15Zie naar al de werken Gods; Altijd zijn het er twee, het een tegenover het ander.
16Al ben ik als laatste gekomen, Als een arenlezer achter de maaiers,
17Toch snelde ook ik onder Gods zegen toe, En heb als een oogster mijn wijnkuip gevuld.
18Ziet, hoe ik niet alleen voor mijzelf heb gewerkt, Maar voor allen, die wijsheid zoeken.
19Hoort dus, prinsen van geheel het volk, Gij, leiders der gemeente, luistert naar mij!
20Kind of vrouw, broer of vriend, Laat ze niet heersen over uw leven.
21Zo lang er leven in u is en adem, Zij niemand over u de baas. Geef uw vermogen niet aan een ander, Opdat ge hem later niet behoeft te vragen.
22Want beter is het, dat uw kinderen u moeten bidden, Dan dat gij naar de hand van uw kinderen moet zien.
23Blijf heer en meester bij al wat ge doet,
24En werp geen smet op uw eer; Als het getal van uw dagen voleind is, Op de dag van de dood, verdeel eerst dan uw bezit.
25Zoals hooi, stok en last bij den ezel, Zo passen straf en werk bij den slaaf.
26Laat uw slaaf werken, zonder verpozen, Want maakt ge het hem licht, dan wordt hij u ontrouw.
27Juk, boeien en roede maken hem gedwee; Bestraf dus een slechten slaaf met gestrengheid.
28Laat uw slaaf werken, en hij wordt niet opstandig; Want ledigheid veroorzaakt veel kwaad.
29Zet hem aan het werk, zoals het hem past; En gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten in kluisters.
30Maar ga u nooit tegen iemand te buiten, En doe nimmer iets zonder recht.
31Bezit ge een slaaf, heb hem lief als uzelf, Want ge hebt hem ook nodig als uzelf;
32Hebt ge een slaaf, beschouw hem als broeder, En woed niet tegen uw eigen bloed.
33Want behandelt ge hem slecht, dan loopt hij weg; En zijt ge hem kwijt, waar vindt ge hem terug?
Sirach 33
1Hem die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder daaruit verlossen.
2Een wijs man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip in een storm van vele baren.
3Een verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.
4Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord worden; bind de onderwijzing tezamen en antwoord dan.
5Het binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging is gelijk een as die omloopt.
6Een vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst, hij briest onder eenieder, die op hem zit.
7Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?
8Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.
9Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.
10En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.
11Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd.
12Enigen uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en enigen uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.
13Zij zijn in zijn hand gelijk het leem eens pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen.
14Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.
15Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.
16En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.
17Merkt dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken.
18Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.
19Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.
20Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.
21Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.
22Maak, dat gij in al uw werken anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek aan uw eer.
23Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.
24Voor een ezel behoort voeder, en een stok en last; voor een huisknecht spijs, en tuchtiging, en werk.
25Doe hem werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.
26Het juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht.
27Drijf hem tot het werk, opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel kwaads.
28Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.
29Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch wees niet te streng jegens iemands lichaam, en doe niets zonder oordeel.
30Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.
31Indien gij hem onrechtvaardig zoudt mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult gij hem zoeken?
32
33
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 33
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 33 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 33:16
"Al ben ik als laatste gekomen, Als een arenlezer achter de maaiers,"
"En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer."





