Sirach 32 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 32
1Stelt men u als leider aan, verhef u niet, Maar wees in hun kring als een der hunnen; Zorg eerst voor hen en ga dan zitten,
2Geef ieder het nodige en neem dan plaats. Dan eren zij u tot uw vreugde, En ontvangt ge de krans voor uw beleid.
3Grijsaard, spreek want dat komt u toe; Maar bescheiden en wijs, zonder het zingen te storen.
4Wordt er gezongen, spreek dan niet; Verkondig uw wijsheid niet ontijdig.
5Als een karbonkel op een sieraad van goud. Is de melodie van een lied bij een drinkgelag;
6Als een zegel van smaragd, in goud gevat, Is de klank van het lied bij zoete wijn.
7Jongeling, spreek alleen, wanneer het moet, Als men u twee- of driemaal dringend vraagt;
8Wees kort van stof en spreek heel weinig, Als iemand, die het wel weet, maar zwijgt.
9Voer onder ouderen niet het grote woord, En zwets niet te veel, waar voornamen zijn;
10Zoals de bliksem uitgaat voor de donder, Zo loopt de bescheidenheid de gunst vooruit.
11Is de tijd gekomen, draal dan niet, Ga naar uw huis, en toef niet langer;
12Daar kunt ge schertsen en u vermaken, Maar in vreze Gods, en zonder schande!
13Dank dan uw Schepper voor dit alles, Die u verkwikte met zijn gaven.
14Zesde reeks. De wijsheid en onze plichten van staat. Inleiding. Gods wet en het menselijk handelen. Wie God zoekt, ontvangt onderrichting; Wie op Hem acht, vindt welbehagen.
15Wie de Wet nastreeft, zal ze ook vinden; Maar wie huichelt, raakt er in verstrikt.
16Wie Jahweh vreest, begrijpt wat recht is; Rechtvaardige oordelen ontstromen zijn hart.
17Maar de zondaar ontwijkt het onderricht, En buigt de Wet naar eigen wil.
18Een bedachtzaam mens houdt de wijsheid voor ogen, Maar overmoedigen en spotters slaan geen acht op de Wet.
19Onderneem dus niets zonder eerst te overleggen, Dan behoeft ge uw daden niet te berouwen;
20Dan gaat ge geen weg, die vol ligt met strikken, En struikelt ge niet tweemaal over een hindernis.
21Waag u niet op de weg der bozen,
22Maar geef acht op uw einde.
23Bij al uw handelen, let op uw ziel, Want wie dat doet, onderhoudt de Wet;
24Wie de Wet onderhoudt, bewaart zijn ziel, Wie op God betrouwt, wordt niet te schande.
25
26
27
28
Sirach 32
1Hebben zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van henlieden.
2Bezorg hen, en zet u zo neder.
3En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult geprezen zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen een kroon moogt ontvangen.
4Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.
5Waar men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten tijds.
6De samenstemming der muzikanten in een wijngelag is gelijk een zegel van een karbonkel op een gulden sieraad.
7Het gezang der muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden stuk werk.
8Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien gij tweemaal gevraagd wordt.
9Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden veel; wees gelijk als een die verstaat en evenwel zwijgt.
10Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden zijn, heb niet veel gekakel.
11De bliksem gaat haast voor de donder heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid.
12Word bij tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet.
13Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.
14En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.
15Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.
16Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden.
17Die de Here vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden aansteken als een licht.
18Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.
19Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige is voor vrees niet vervaard, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad.
20Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.
21Ga niet op de weg waarop men lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten.
22Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.
23Vertrouw uzelf in alle goede werken, want ook dat is een onderhouding der geboden.
24Wie de Here gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 32
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 32 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 32:16
"Wie Jahweh vreest, begrijpt wat recht is; Rechtvaardige oordelen ontstromen zijn hart."
"Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden."





