Sirach 31 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 31
1De slapeloosheid van een rijke teert zijn lichaam uit, En tobben verdrijft hem de slaap;
2De zorg voor zijn onderhoud houdt hem wakker, En brengt meer slapeloosheid dan een ernstige kwaal.
3De rijke slooft zich af, om schatten op te hopen, En houdt hij er mee op, hij kan genieten;
4Maar de arme slooft zich af en verspilt zijn kracht, En gaat hij rusten, hij lijdt gebrek.
5Wie het goud najaagt, blijft niet zonder schuld, En wie het geld bemint, geraakt in zonde.
6Velen reeds werden verstrikt door het goud, Of door hun vertrouwen te stellen in paarlen;
7Want het is een struikelblok voor de dwazen, Wie onverstandig is, raakt erin verstrikt.
8Gelukkig de rijke, die ongerept wordt bevonden, En de mammon niet na loopt.
9Wie is hij: dan gaan wij hem prijzen; Want iets groots volbracht hij bij zijn volk.
10Wie werd er beproefd en ongerept bevonden? Het zal hem strekken tot roem. Wie kon zondigen en deed het niet, Kwaad doen en wilde het niet?
11Daarom is zijn geluk bestendig, En de gemeente verkondigt zijn lof.
12Als ge aanzit aan de dis van een grote, Zet dan geen gulzige mond daarbij op. Zeg niet: “Er is van alles genoeg;”
13Bedenk, dat jaloerse ogen een ramp zijn. Jaloerser dan het oog heeft God niet geschapen; Daarom stort het bij alles tranen.
14Kijkt iemand naar iets, strek er uw hand niet naar uit, En tast niet met hem in dezelfde schotel.
15Bedenk, dat uw disgenoot is als gij zelf: Let dus op alles, waar ge hekel aan hebt;
16Eet als een man van wat men u voorzet, En niet met lange tanden, anders wordt ge veracht.
17Houd het eerst op, uit beleefdheid; Smak niet bij het eten, anders wordt ge bespot;
18En zijt ge met velen aangezeten, Steek dan uw hand niet voor den ander heen.
19Heeft een verstandig mens niet aan weinig genoeg? Hij zal er geen hinder van hebben op bed. Maar de dwaas heeft last van slapeloosheid, Van pijn en draaien der ingewanden.
20Gezond is de slaap bij een lege maag; En als men 's morgens opstaat, is men fris.
21Dwingt men u dus, veel te eten, Spuw het uit, het zal u verlichten.
22Luister, mijn zoon, en versmaad mij niet; Dan zult ge ten slotte mijn woorden verstaan: Wees bescheiden bij al uw doen, Dan zal geen schade u treffen.
23Wie aan tafel wellevend is, wordt geprezen, Zijn goede manieren worden altijd geloofd;
24Maar over een lomperd spreekt men schande in de poort, Men vergeet zijn ongemanierdheid niet.
25Wees ook geen held bij de wijn; Want de wijn bracht velen ten val.
26Zoals het werk van den smid wordt beproefd in de oven, Zo ontpopt zich grootspraak door de wijn.
27De wijn is voor den mens een levenswater, Als hij hem met mate drinkt. Wat is het leven zonder wijn? Hij werd in den beginne voor de vreugde geschapen!
28Vreugde voor het hart, blijdschap en genot, Is de wijn, wordt hij matig gedronken;
29Maar hoofdpijn, schelden en twist brengt de wijn, Wordt hij te haastig en driftig gezwolgen.
30Veel wijn is voor den dwaas een valstrik, Het verteert zijn kracht en veroorzaakt wonden.
31Berisp uw vriend niet bij een wijngelag, En minacht hem niet bij zijn vreugde; Spreek hem geen harde woorden toe, En plaag hem niet met oude schulden.
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
Sirach 31
1Het waken om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en daarover bekommerd zijn, vermindert de slaap.
2Deze wakende bekommernis vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware krankheid.
3De rijke bemoeit zich met veel geld te vergaderen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.
4De arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.
5Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, deze zal daarvan verzadigd worden.
6Velen zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.
7Het is een hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen.
8Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.
9Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk.
10Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?
11Daarom zullen zijn goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen vertellen.
12Als gij aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;
13En zeg niet: Daar is veel opgezet.
14Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is.
15Is er wat bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.
16Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.
17Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op alle dingen.
18Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.
19Houd eerst op, omdat gij onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk, opdat gij niet te eniger tijd aanstoot geeft.
20En zo gij onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij.
21Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.
22Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk mens.
23En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.
24Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en gij zult ten laatste de waarheid mijner woorden bevinden.
25Zijt in al uw werken wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.
26Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.
27Die karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.
28Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.
29De oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij dronken zijn.
30De wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig drinkt. [30:31] Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.
31[30:32] De wijn maakt vrolijkheid des harten en verheuging der ziel, ter rechter tijd, en zoveel genoeg is gedronken. [30:33] Maar veel wijn gedronken veroorzaakt bitterheid der ziel door twist en ongeval. [30:34] De dronkenschap des onwijzen vermeerdert zijn gramschap tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden. [30:35] Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging. [30:36] En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 31
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 31 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 31:16
"Eet als een man van wat men u voorzet, En niet met lange tanden, anders wordt ge veracht."
"Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel."





