Sirach 30 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 30
1Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven.
2Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan.
3Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen.
4Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter.
5Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer;
6Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt.
7Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld.
8Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door.
9Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn.
10Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp.
11Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is.
12Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer.
13Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas.
14Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte;
15Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen.
16Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;
17Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed.
18Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld.
19Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten:
20Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst.
21Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat;
22Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang.
23Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets.
24Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.
25
26
27
Sirach 30
1Die zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.
2Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.
3Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.
4Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is.
5In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.
6Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar zal zijn.
7Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.
8Een ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.
9Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.
10Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.
11Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetend heden niet.
12Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.
13Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.
14Een arme die gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is.
15Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk lichaam dan onmetelijke rijkdom.
16Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap des harten.
17De dood is beter dan een bittere leven, of bijblijvende zwakheid.
18Opgesloten goederen bij een gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten bij een graf gelegd.
19Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.
20Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.
21Begeef uw ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen raad.
22Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.
23Heb uw ziel lief, en troost uw hart, en stel droefheid verre van u.
24Want de droefheid heeft er velen verdorven en gedood.
25Nijdigheid en gramschap verminderen de dagen, en bekommernis brengt ouderdom voor de tijd. [30:26] Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 30
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 30 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 30:16
"Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;"
"Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap des harten."





