Sirach 29 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 29
1Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden.
2Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug.
3Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt.
4Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last.
5Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd.
6Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren;
7Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd.
8Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp.
9Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood.
10Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen.
11Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud.
12Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad;
13Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand.
14Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek.
15Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel.
16De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek.
17Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee;
18Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken.
19De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen.
20Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt.
21De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte.
22Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden.
23Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt.
24Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken.
25Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen:
26“Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten.”
27“Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig.”
28Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.
29
30
31
32
33
34
35
Sirach 29
1Wie barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.
2Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.
3Bevestig uw woord en zijt hem getrouw en gij zult hem te allen tijde uw behoefte vinden.
4Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.
5Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om des naasten geld vernedert hij zijn stem.
6Maar wanneer hij het behoort weder te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.
7En indien hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.
8Maar indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.
9Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.
10Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.
11Evenwel in de vernedering uws naasten zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.
12Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.
13Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.
14Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.
15Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.
16Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.
17Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.
18Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.
19De zondaar keert een goede borgschap om.
20De zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.
21Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.
22Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn gaan dwalen.
23Een zondaar overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.
24Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.
25Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.
26Het leven des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs onder de vreemden. [29:27] Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw huis.
27[29:28] Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen. [28:29] Gij zult gasten hebben en te drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe bittere woorden horen.
28[29:30] Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij. [28:31] Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd. [28:32] Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 29
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 29 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 29:16
"De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek."
"Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden."





