Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 3 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 3

1Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga.

2Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd.

3Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden,

4En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten.

5Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord.

6Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder.

7Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters.

8Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen.

9De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit.

10Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer.

11De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder.

12Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens.

13Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft.

14De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend.

15Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg.

16Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper.

17Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft.

18Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God.

19

20Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit.

21Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden.

22Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig.

23Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven;

24Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden.

25Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid.

26Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf.

27Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde.

28Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht.

29Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe.

30Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit.

31Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.

32

33

34

Sirach 3

1Mijn kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden wordt.

2Want de Here heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.

3Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden;

4En wie zijn moeder eert, is gelijk als die schatten vergadert.

5Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.

6Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,

7Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.

8Eer uw vader en moeder met werken en woorden,

9Opdat zegening van mensen over u kome.

10Want de zegening des vaders onderstut de huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.

11Roem niet in de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen eer.

12Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.

13Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.

14Indien hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.

15Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.

16En in plaats der zonden zult gij daartegen gebouwd worden.

17In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.

18Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.

19Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind worden.

20Hoe groter gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.

21Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden de verborgenheden geopenbaard.

22Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen geëerd.

23Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.

24Want het is u niet van node, verborgen dingen met ogen te zien.

25Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.

26Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.

27Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan.

28Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.

29Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.

30Het hart des verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.

31Het water blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent men de zonden. [3:32] En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.

Sirach 3

1Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga.

2Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd.

3Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden,

4En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten.

5Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord.

6Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder.

7Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters.

8Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen.

9De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit.

10Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer.

11De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder.

12Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens.

13Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft.

14De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend.

15Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg.

16Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper.

17Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft.

18Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God.

19

20Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit.

21Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden.

22Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig.

23Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven;

24Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden.

25Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid.

26Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf.

27Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde.

28Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht.

29Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe.

30Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit.

31Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.

32

33

34

Sirach 3:1
NlCanisius1939

Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga.

DutSVVA

Mijn kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden wordt.

2
NlCanisius1939

Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd.

DutSVVA

Want de Here heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.

3
NlCanisius1939

Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden,

DutSVVA

Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden;

4
NlCanisius1939

En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten.

DutSVVA

En wie zijn moeder eert, is gelijk als die schatten vergadert.

5
NlCanisius1939

Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord.

DutSVVA

Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.

6
NlCanisius1939

Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder.

DutSVVA

Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,

7
NlCanisius1939

Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters.

DutSVVA

Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.

8
NlCanisius1939

Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen.

DutSVVA

Eer uw vader en moeder met werken en woorden,

9
NlCanisius1939

De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit.

DutSVVA

Opdat zegening van mensen over u kome.

10
NlCanisius1939

Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer.

DutSVVA

Want de zegening des vaders onderstut de huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.

11
NlCanisius1939

De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder.

DutSVVA

Roem niet in de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen eer.

12
NlCanisius1939

Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens.

DutSVVA

Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.

13
NlCanisius1939

Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft.

DutSVVA

Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.

14
NlCanisius1939

De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend.

DutSVVA

Indien hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.

15
NlCanisius1939

Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg.

DutSVVA

Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.

16
NlCanisius1939

Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper.

DutSVVA

En in plaats der zonden zult gij daartegen gebouwd worden.

17
NlCanisius1939

Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft.

DutSVVA

In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.

18
NlCanisius1939

Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God.

DutSVVA

Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.

19
NlCanisius1939

DutSVVA

Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind worden.

20
NlCanisius1939

Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit.

DutSVVA

Hoe groter gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.

21
NlCanisius1939

Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden.

DutSVVA

Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden de verborgenheden geopenbaard.

22
NlCanisius1939

Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig.

DutSVVA

Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen geëerd.

23
NlCanisius1939

Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven;

DutSVVA

Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.

24
NlCanisius1939

Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden.

DutSVVA

Want het is u niet van node, verborgen dingen met ogen te zien.

25
NlCanisius1939

Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid.

DutSVVA

Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.

26
NlCanisius1939

Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf.

DutSVVA

Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.

27
NlCanisius1939

Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde.

DutSVVA

Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan.

28
NlCanisius1939

Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht.

DutSVVA

Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.

29
NlCanisius1939

Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe.

DutSVVA

Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.

30
NlCanisius1939

Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit.

DutSVVA

Het hart des verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.

31
NlCanisius1939

Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.

DutSVVA

Het water blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent men de zonden. [3:32] En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.

32
NlCanisius1939

DutSVVA

33
NlCanisius1939

DutSVVA

34
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 3

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 3 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 3:16

NlCanisius1939

"Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper."

DutSVVA

"En in plaats der zonden zult gij daartegen gebouwd worden."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward