Sirach 27 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 27
1Om geld hebben velen gezondigd, Want wie rijk wil worden, doet een oogje toe.
2Zoals men een pin slaat tussen de voegen der stenen, Zo wringt de zonde zich vast tussen koop en verkoop.
3Houdt iemand zich niet nauwgezet aan de vreze des Heren, Dan gaat zijn huis weldra te gronde.
4Schudt men de zeef, dan blijft het kaf; Zo 's mensen fouten, als men hem nader beschouwt.
5Het werk van den pottenbakker wordt beproefd in de oven; Zo beproeft men een mens door een gesprek.
6Aan de vrucht erkent men, hoe een boom is gekweekt, Het hart van den mens aan wat hij zegt.
7Prijs daarom niemand, vóór ge hem hoort spreken; Want dat is de toetssteen voor den mens.
8Jaagt ge de gerechtigheid na, ge zult haar bereiken, En ge trekt haar aan als een erekleed.
9Zoals de vogels zich neerzetten bij hun soort, Zo blijft de trouw bij die haar beoefenen;
10Maar zoals de leeuw loert op buit, Zo loert de zonde op wie onrecht doet.
11Het spreken van den rechtvaardige is altijd wijs, Maar de dwaas is veranderlijk als de maan.
12Zijt ge bij dwazen, let op uw tijd; Maar in de kring van verstandigen kunt ge altijd vertoeven.
13De gesprekken van dwazen geven maar aanstoot, Hun lachen gaat met zondige uitspatting gepaard.
14Wie onophoudelijk zweren, doen de haren te berge rijzen, En hun kijven maakt iemand de oren doof.
15De twist van gelijkhebbers loopt uit op bloedvergieten, En hun kijven is niet aan te horen.
16Wie geheimen verraadt, verliest het vertrouwen, En vindt geen vriend meer naar zijn hart,
17Heb uw vriend lief en blijf hem trouw, Maar loop hem niet meer na, als ge zijn geheim hebt verklapt.
18Want zoals iemand zijn vermogen verliest, Zo hebt ge de vriendschap van uw vriend verbeurd;
19En zoals ge een vogel uit uw hand laat vliegen, Hebt ge uw vriend laten gaan, en ge krijgt hem niet terug.
20Loop hem niet na, want hij is reeds ver; Hij is gevlucht als een ree uit de strik.
21Een wonde kan men verbinden, een belediging vergeven, Maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen.
22Wie knipoogjes geeft, broedt op kwaad, En wie het bemerkt, trekt zich van hem terug.
23In uw bijzijn spreekt hij mooie woorden, En staat verrukt over wat ge zegt. Maar later spreekt hij andere taal, En verwekt aanstoot met uw woorden.
24Veel dingen haat ik, maar niets zo zeer als hem; Ook voor Jahweh is hij een afschuw.
25Wie een steen omhoog werpt, krijgt hem zelf op het hoofd; Een verraderlijke slag slaat diepe wonden.
26Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie strikken zet, wordt er zelf in gevangen.
27Wie kwaad beraamt, wordt er zelf door getroffen, Zonder dat hij weet, vanwaar het komt.
28Spot en hoon zijn het lot van de trotsen, Want de wraak loert op hem als een leeuw.
29Wie blij zijn met het ongeluk van gerechten, lopen zelf in de val, En smart verteert hen vóór hun dood.
30Wrok en toorn, ook die zijn afschuwelijk; Alleen een zondig mens loopt er mee rond.
31
32
33
Sirach 27
1Velen hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden.
2Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.
3Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.
4Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.
5De oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.
6Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.
7Prijs niemand eer hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.
8Indien gij hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange heerlijke tabberd.
9Het gevogelte nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot degenen, die haar betrachten.
10Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken.
11Het verhaal van de godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert gelijk de maan.
12Neem onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen.
13Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.
14De spraak desgenen die veel zweert, doet de haren overeind staan, en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.
15De twist der hovaardigen brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om te horen.
16Wie heimelijke dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn hart.
17Heb uw vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.
18Maar indien gij zijn heimelijke zaken zoudt geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.
19Want gelijkerwijs een mens zijn vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.
20En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.
21Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een ree uit de strik.
22Want een wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke zaken openbaart, heeft zijn geloof verloren.
23Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.
24Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.
25Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.
26Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond wijd.
27Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt, zal daarmee gevangen worden.
28Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt.
29De hovaardigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk een leeuw.
30Die zich verheugen in de val der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen worden.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 27
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 27 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 27:16
"Wie geheimen verraadt, verliest het vertrouwen, En vindt geen vriend meer naar zijn hart,"
"Wie heimelijke dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn hart."





