Sirach 24 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 24
1Vijfde reeks. De wijsheid en onze verhouding tot anderen. Inleiding. Het hooglied der wijsheid. De wijsheid gaat zichzelve prijzen, Te midden van haar volk zich roemen.
2Zij opent haar mond in de gemeente van den Allerhoogste, En gaat zich verheffen voor zijn heirschaar; Bij het uitverkoren volk gaat zij zich loven, En onder de gezegenden zich verheerlijken:
3“Uit de mond des Allerhoogsten kwam ik voort, En bedekte de aarde als een nevel;
4In de hoogten had ik mijn woontent, Op de wolkenzuil mijn troon.
5Ik alleen doorliep de kring des hemels, En wandelde in de diepten van de afgrond;
6Over de golven der zee en heel de aarde, In iedere stam en volk toonde zich mijn macht.
7Bij die allen zocht ik een rustplaats, Een erfdeel, waar ik kon blijven.
8Toen gaf de Schepper van het heelal mij zijn bevel; Hij, die mij vormde, wees mijn tent een plaats, En sprak: “In Jakob zal uw woontent zijn, In Israël uw erfdeel.”
9Vóór de eeuwen, van de aanvang af door Hem gevormd, Blijf ik tot in eeuwigheid bestaan.
10In de heilige tent deed ik dienst voor zijn aanschijn, En kreeg ik op de Sion vaste voet;
11Hij deed mij wonen in zijn geliefde stad, En vestigde in Jerusalem mijn heerschappij.
12Zo schoot ik wortel in een roemvol volk, In het erfdeel van Jahweh, midden in zijn bezit.
13Ik rees omhoog als een ceder op de Libanon, Als een cypres op de berg Hermon;
14Ik schoot op als een palm in En-Gédi, Als rozenstruiken in Jericho, Als een schone olijf op het veld, En groot werd ik als een plataan.
15Ik geurde als kaneel en muskaat, Verspreidde zoete reuk als kostelijke mirre, Als hars of nagelen en balsem, Als de geur van wierook in de Tent.
16Ik strekte als een terebint mijn takken uit, En mijn twijgen waren vol schoonheid en pracht;
17Als een wijnstok schoot ik frisse loten, En mijn bloesem gaf heerlijke en rijke vrucht.
18Ik ben de moeder van de schone liefde, Van de godsvrucht, de kennis en de heilige hoop; In mij is alle genade van leven en waarheid, In mij alle hoop op leven en deugd.
19Komt tot mij, gij die mij begeert, En verzadigt u aan mijn vruchten.
20Aan mij te denken is zoeter dan honing, Mij te bezitten gaat boven honingraat uit;
21Wie mij eten, blijven naar mij hongeren, Wie mij drinken, dorsten naar meer.
22Wie naar mij luistert, wordt nimmer te schande, En wie zich om mij beijveren, zondigen niet.”
23Dit alles is het Verbondsboek van den Allerhoogste, De wet, die Moses gaf als erfgoed voor Jakobs gemeenten;
24
25Die wijsheid geeft, overvloedig als de Pisjon, Als de Tigris in de dagen der eerstelingen;
26Die inzicht verleent, zo vol als de Eufraat, Als de Jordaan in de dagen van de oogst.
27Die kennis doet stromen als de Nijl, Als de Gichon in de tijd van de wijnoogst.
28Geen eerste heeft haar kunnen doorgronden, Geen laatste heeft haar doorvorst;
29Want rijker dan de zee is haar inhoud, Rijker dan de grote Oceaan haar zin.
30En ik kwam als een zijtak uit die stroom, Als een kanaal, dat een lusthof bevloeit.
31Ik sprak: “Drenken wil ik mijn hof, En besproeien mijn weide.” En zie, mijn zijtak wies tot een stroom, En mijn stroom tot een zee.
32Nog meer wil ik wijsheid doen stralen als de morgen, En tot in de verte ze doen lichten;
33Verder nog de onderrichting als een profetie laten stromen, En ze achterlaten voor verre geslachten.
34Ziet, ik zwoeg niet voor mijzelf alleen, Maar ook voor allen, die haar zoeken.
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
Sirach 24
1De wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.
2Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:
3Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.
4Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.
5Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden gewandeld.
6In de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij alle volken en natiën heb ik bezittingen.
7Bij deze allen heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis te zijn.
8Toen beval mij de schepper aller dingen, en die mij geschapen heeft, deed mijn tent rusten, en zeide:
9In Jakob zult gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult gij erfgenaam zijn.
10Vóór de wereld, van den beginne heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid gediend;
11En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.
12En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.
13Ik ben verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom op de bergen van Hermon.
14Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom te Jericho.
15Gelijk een schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.
16Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen mirre.
17Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.
18Ik heb mijn takken uitgestrekt gelijk een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk en aangenaam.
19Ik heb, gelijk een wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.
20Ik ben een moeder der schone liefde, en der vrees, en der kennis, en der heilige hoop;
21En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.
22Komt herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.
23Want mijn gedachtenis is zoeter dan honig, en mijn erfenis dan honigraat.
24Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten.
25Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen.
26Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.
27Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.
28Die vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.
29Die de leer der kennis doet uitschijnen gelijk een licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest.
30De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.
31Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.
32Ik, de Wijsheid, ben gelijk een gedolven gracht van een rivier;
33En gelijk een waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.
34Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, en mijn op. recht tuinbeddeken begieten. [24:35] En ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee. [24:36] Want ik doe de onderwijzing jichten als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre landen. [24:37] Want ik giet lering uit gelijk een profetie, en laat ze, na tot eeuwige geslachten. [24:38] Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 24
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 24 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 24:16
"Ik strekte als een terebint mijn takken uit, En mijn twijgen waren vol schoonheid en pracht;"
"Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen mirre."





