Sirach 23 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 23
1Jahweh, Vader en Heer van mijn leven, Laat niet toe, dat ik door hen bezwijk.
2Wie stelt er een tuchtroede bij mijn verstand, En een wijze regel over mijn hart, Opdat ze mijn fouten niet sparen, En mijn zonden niet verdragen.
3Anders zouden mijn misslagen zich verdubbelen, En mijn zonden nog talrijker worden; Zou ik bezwijken voor mijn belagers, En mijn vijand zich over mij verheugen.
4Jahweh, Vader en God van mijn leven, Laat mij toch niet aan hun willekeur over;
5Laat de hovaardij mijner ogen niet toe, En houd de begeerlijkheid verre van mij;
6Laat gulzigheid en ontucht mij niet beheersen, En lever mij niet over aan schandelijke hartstocht.
7Luistert, kinderen, naar de regels over het spreken; Want wie ze in acht neemt, wordt er niet door gevangen.
8De zondaar laat zich door zijn lippen verstrikken, De lasteraar en trotse komen er door ten val.
9Gewen uw mond niet aan het zweren; Heb geen gewoonte de heilige Naam te gebruiken.
10Want zoals een slaaf, die steeds ondervraagd wordt, Niet vrij kan blijven van striemen, Zo zal ook wie zweert en altijd Gods naam noemt, Niet vrij kunnen blijven van zonde.
11Een man, die veel zweert, is vol zonde; De roede zal niet wijken van zijn huis. Doet hij het lichtvaardig, dan is het al zonde, En houdt hij die eed niet, het is een dubbele zonde; En zweert hij vals, hij blijft niet ongestraft, Want zijn huis zal zich vullen met rampen.
12Er is nog een spreken, dat gelijk staat met de dood; Mocht het in het erfdeel van Jakob niet worden gevonden! Want van rechtvaardigen blijft dit alles verre; Die wentelen zich niet in de zonde.
13Gewen uw mond niet aan zedeloos vuil; Want in dergelijke taal ligt zonde.
14Denk aan uw vader en uw moeder, Wanneer ge te midden van groten zit, Opdat ge u niet bij hen vergete, En door uw gewoonte u slecht gedraagt. Dan zoudt ge wensen, niet te zijn geboren, En zoudt ge de dag van uw geboorte vervloeken;
15Want een man, die aan liederlijke taal is gewend, Leert het nooit van zijn leven meer af.
16wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals;
17Een geile ziel is als een brandend vuur, Dat niet wordt geblust, eer het verslonden heeft. Een mens, die onreinheid begaat met zichzelf, Houdt niet op, vóór het vuur is gedoofd. Een ontuchtig mens smaakt alle brood goed; Hij heeft er nooit genoeg van tot aan zijn dood.
18Een mens, die de trouw van de echt overtreedt, Denkt bij zichzelf: Wie ziet mij? Duisternis omringt mij, de muren houden mij schuil; Geen mens, die mij ziet; wat heb ik te vrezen? De Allerhoogste gedenkt mijn zonden niet.
19Hij is enkel bevreesd voor de ogen der mensen! Hij denkt er niet aan, dat de ogen des Heren Tienduizendmaal helderder zijn dan de zon; Dat zij alle wegen der mensen overschouwen, En de meest verborgen hoeken doorzien.
20Vóór het bestaat is Hem alles bekend, En zeker, nadat het volbracht is.
21Zo een wordt bestraft op de pleinen der stad, En gegrepen, waar hij het niet had verwacht; Voor iedereen wordt hij tot spot, Omdat hij de vreze des Heren niet kent.
22Zo ook de vrouw, die haar man heeft verlaten, En een erfgenaam van een ander onderschuift!
23Want vooreerst heeft zij de Wet van den Allerhoogste overtreden, Ten tweede misdreven tegen haar man; Ten derde heeft zij in ontucht echtbreuk gepleegd, En kinderen onderschoven uit een anderen man.
24Zij zal voor de gemeente worden gebracht, En naar haar kinderen zal men onderzoek doen.
25Haar kinderen zullen geen wortel schieten, En haar takken dragen geen vrucht;
26Haar nagedachtenis zal een vervloeking blijven, Haar schande niet worden uitgewist.
27Zo zullen al haar landgenoten erkennen, En die achterblijven het inzien: Dat er niets beter is dan de vreze des Heren, Niets zoeter dan Jahweh's gebod te volbrengen.
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
Sirach 23
1O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.
2Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare zondaren niet voorbijgaat;
3Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.
4O Here, Vader en God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd van uw knechten af.
5Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.
6Hoort, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden.
7De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige zullen zich daaraan stoten.
8Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.
9Want gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.
10Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.
11Indien hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel.
12En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.
13Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.
14Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.
15Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld der zonde.
16Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden der groten zult gij bijzitten.
17Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.
18Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet onderwezen worden.
19Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mede.
20Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.
21Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses hoererij bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.
22Een hoereerder is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.
23Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?
24Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn vrees; [23:25] En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder zijn den de zon. [23:26] Welke zien op alle wegen der mensen, en merken op de verborgene delen.
25[23:27] Eer alle dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voleindigd, doorziet hij ze alle. [23:28] Deze zal op de straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend. [23:29] Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.
26[23:30] Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht.
27[23:31] Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden. [23:32] Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen. [23:33] Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden. [23:34] En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de vreze des Heren, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de geboden Gods. [23:35] Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 23
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 23 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 23:16
"wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals;"
"Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden der groten zult gij bijzitten."





