Sirach 22 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 22
1De luiaard gelijkt op een smerige steen: Iedereen geeft af op zijn schande.
2Een luiaard gelijkt op het vuil van de mesthoop: Ieder, die het aanraakt, veegt zijn hand af.
3Een tuchteloos meisje is een schande voor haar vader; Zo'n dochter berokkent hem oneer.
4Een verstandige dochter vindt haar man; Een eerloze echter wordt een smart voor haar vader.
5De schaamteloze maakt vader en man te schande, En wordt door beiden veracht.
6Een ontijdig woord is als muziek ten tijde van rouw, Maar slagen en tucht zijn altijd wijsheid.
7
8
9Wie een dwaas onderricht, lijmt scherven aaneen, Maakt een slaper wakker uit diepe rust.
10Wie spreekt tot een dwaas, spreekt tot iemand, die droomt; Ten slotte zal hij zeggen: ”Wat is er?“
11" Ween over een dode, want het licht ging uit; Ween ook over een dwaas, want het verstand is heen. Ween minder over een dode, want hij heeft rust bekomen; Maar het leven van een dwaas is erger nog dan de dood.
12Zeven dagen moet men een dode bewenen, Maar den dwaas en goddeloze geheel zijn leven.
13Spreek niet veel met een dwaas, En ga niet om met onverstand; Wacht u voor hem, om geen last te hebben, En niet door zijn aanraking te worden besmet. Ontwijk hem, en ge zult rust vinden, En geen last hebben van zijn dwaasheid.
14Wat is er zwaarder dan lood? Is zijn naam niet ‘een zot’?
15Zand en zout en ijzerklompen Zijn lichter te dragen dan een overstandig mens.
16Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken.
17Een hart, dat zich verlaat op een verstandig besluit, Is sterk als een glad gepleisterde muur;
18Maar stenen zonder kalk op elkaar gestapeld, Houden geen stand voor de storm. Zo is het hart, dat de plannen vreest van een dwaas, Tegen geen enkele angst bestand.
19Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, Wie prikt in het hart, wekt gevoeligheid op;
20Wie een steen gooit naar vogels, jaagt ze weg, Wie zijn vriend beschimpt, verbreekt de vriendschap.
21Al trekt getegen uw vriend ook het zwaard, Wanhoop niet: het komt weer terecht;
22Al zet ge een mond op tegen uw vriend, Wees niet bevreesd; het kan nog worden hersteld; Maar voor schimpen, trots en geheimen verklappen, Voor geniepige zetten gaat iedere vriend op de loop.
23Blijf uw vriend in armoe trouw, Opdat ge ook in zijn voorspoed moogt delen. Verlaat hem niet ten tijde van nood; Dan deelt ge ook in zijn welvaart.
24Vóór het vuur geeft de oven rook en smook: Zo gaat schelden aan bloedvergieten vooraf.
25Nooit zal ik me schamen, een vriend te beschermen, En nooit zal ik me voor hem verbergen;
26En al zou hij mij soms met kwaad vergelden, Ieder, die het hoort, zal zich dan voor hem wachten.
27Wie geeft mij een wacht op mijn mond, Een goedsluitend zegel op mijn lippen, Opdat ik er niet door ten val moge komen, En mijn tong mij niet in het verderf moge storten?
28
29
30
31
32
33
Sirach 22
1De luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en eenieder schuift hem weg om zijn oneer.
2Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de hand af.
3Het is des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.
4Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.
5Een stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.
6Een ontijdig verhaal is gelijk muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging ter rechter tijd is een werk van wijsheid.
7Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.
8Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.
9Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?
10Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.
11Ween over een dode zachter, dewijl hij rust.
12Want het leven van een dwaas is boven de dood.
13De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.
14Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.
15Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.
16Wijk van hem, en gij zult rust vinden, en gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.
17[22:17] Wat is er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood. [22:18] Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig mens.
18[22:19] Gelijk een houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.
19[22:20] Een hart dat op verstandige gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand. [22:21] Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven, [22:22] Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.
20[22:23] Wie in een oog steekt, brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn. [22:24] Wie een steen onder de vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.
21[22:25] Indien gij het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.
22[22:26] Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.
23[22:27] Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als het hem wèl gaat.
24[22:28] In de tijd der verdrukking blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde te houden.
25[22:29] Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor de doodslag.
26[22:30] Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.
27[22:31] Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet schielijk valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 22
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 22 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 22:16
"Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken."
"Wijk van hem, en gij zult rust vinden, en gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid."





