Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 21 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 21

1Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden.

2Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen.

3Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde.

4Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin;

5Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren.

6Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte.

7De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel.

8Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter.

9De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur.

10De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel.

11Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren.

12Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is.

13De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron;

14Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden.

15Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug.

16Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;

17In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart.

18Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden.

19De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand.

20Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks.

21De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand.

22De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten;

23De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan.

24Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan.

25De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal.

26De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart.

27Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf;

28Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.

29

30

31

Sirach 21

1Mijn kind, hebt gij gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.

2Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.

3Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.

4Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.

5Slagen en smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest worden.

6De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig.

7Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.

8Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.

9Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen vergadert tot een tombe op zijn graf.

10De vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.

11De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is de gracht der hel.

12Wie de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.

13Maar de voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.

14Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.

15De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein des levens.

16Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft.

17Indien de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.

18Heeft het een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter zijn rug.

19De vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden.

20De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.

21Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.

22De tucht is de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.

23Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.

24De tucht is de voorzichtige man gelijk een gulden versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.

25De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd.

26De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.

27Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.

28De lippen der veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen. [21:29] Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hart. [21:31] Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel. [21:31] Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.

Sirach 21

1Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden.

2Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen.

3Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde.

4Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin;

5Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren.

6Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte.

7De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel.

8Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter.

9De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur.

10De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel.

11Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren.

12Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is.

13De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron;

14Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden.

15Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug.

16Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;

17In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart.

18Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden.

19De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand.

20Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks.

21De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand.

22De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten;

23De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan.

24Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan.

25De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal.

26De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart.

27Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf;

28Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.

29

30

31

Sirach 21:1
NlCanisius1939

Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden.

DutSVVA

Mijn kind, hebt gij gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.

2
NlCanisius1939

Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen.

DutSVVA

Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.

3
NlCanisius1939

Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde.

DutSVVA

Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.

4
NlCanisius1939

Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin;

DutSVVA

Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.

5
NlCanisius1939

Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren.

DutSVVA

Slagen en smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest worden.

6
NlCanisius1939

Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte.

DutSVVA

De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig.

7
NlCanisius1939

De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel.

DutSVVA

Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.

8
NlCanisius1939

Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter.

DutSVVA

Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.

9
NlCanisius1939

De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur.

DutSVVA

Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen vergadert tot een tombe op zijn graf.

10
NlCanisius1939

De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel.

DutSVVA

De vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.

11
NlCanisius1939

Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren.

DutSVVA

De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is de gracht der hel.

12
NlCanisius1939

Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is.

DutSVVA

Wie de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.

13
NlCanisius1939

De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron;

DutSVVA

Maar de voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.

14
NlCanisius1939

Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden.

DutSVVA

Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.

15
NlCanisius1939

Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug.

DutSVVA

De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein des levens.

16
NlCanisius1939

Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;

DutSVVA

Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft.

17
NlCanisius1939

In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart.

DutSVVA

Indien de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.

18
NlCanisius1939

Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden.

DutSVVA

Heeft het een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter zijn rug.

19
NlCanisius1939

De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand.

DutSVVA

De vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden.

20
NlCanisius1939

Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks.

DutSVVA

De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.

21
NlCanisius1939

De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand.

DutSVVA

Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.

22
NlCanisius1939

De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten;

DutSVVA

De tucht is de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.

23
NlCanisius1939

De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan.

DutSVVA

Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.

24
NlCanisius1939

Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan.

DutSVVA

De tucht is de voorzichtige man gelijk een gulden versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.

25
NlCanisius1939

De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal.

DutSVVA

De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd.

26
NlCanisius1939

De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart.

DutSVVA

De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.

27
NlCanisius1939

Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf;

DutSVVA

Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.

28
NlCanisius1939

Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.

DutSVVA

De lippen der veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen. [21:29] Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hart. [21:31] Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel. [21:31] Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.

29
NlCanisius1939

DutSVVA

30
NlCanisius1939

DutSVVA

31
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 21

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 21 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 21:16

NlCanisius1939

"Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;"

DutSVVA

"Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward