Sirach 20 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 20
1Soms is een terechtwijzing wel wat ontijdig; Zwijgen kan soms verstandig zijn.
2Toch is het beter, te berispen dan te razen; Want wie bekent, wordt voor slechter bewaard.
3
4Als een ontmande, die in hartstocht een jonkvrouw onteert: Zo is hij, die een berisping geeft met geweld.
5Er zijn er, die hun wijsheid tonen door zwijgen, Zoals anderen zich gehaat maken door hun gepraat.
6Er zijn er, die zwijgen, bij gebrek aan een antwoord, Maar anderen zwijgen, en wachten hun tijd.
7De wijze zwijgt, tot zijn tijd is gekomen, Maar de zwetser en dwaze let op geen tijd.
8Aan een praatvaar heeft men een hekel, En wie zich veel aanmatigt, wordt gehaat.
9Een schijnbaar succes strekt den mens soms tot onheil, En een gewin wordt soms een verlies.
10Soms brengt een geschenk u geen voordeel, En soms wordt het dubbel vergolden.
11Soms vindt men vernedering in plaats van glorie, En anderen heffen na de vernedering het hoofd omhoog.
12De een koopt veel voor weinig geld, Een ander betaalt het zevenvoudig.
13De wijze maakt zich bemind met spreken, Het vleien der dwazen is tevergeefs.
14Het geschenk van een dwaas zal u niet baten, Want in plaats van één heeft hij vele ogen;
15Hij geeft slechts weinig, maar doet veel verwijten, En zet zijn mond als een omroeper open. Vandaag zal hij lenen, morgen eist hij het terug; Hoe hatelijk is zo'n mens!
16De dwaas moet zeggen: Ik heb geen vriend; Ik ontvang geen dank voor mijn gaven.
17Die zijn brood eten, hebben een valse tong; Wat lachen zij hem dikwijls uit! Want zonder takt deelt hij uit, wat hij moest behouden, Met wat hij niet hoeft te behouden.
18Liever een gladde vloer dan een gladde tong; Daardoor komt de boze spoedig ten val.
19Een ontijdig woord is als een onaangenaam mens; Een onbeschaafd man heeft het steeds in de mond.
20Een spreuk uit de mond van een dwaas heeft geen waarde; Want hij zegt ze niet op de rechte tijd.
21Soms wordt men door armoe belet om te zondigen; Men heeft dan ook geen last van de wroeging.
22Maar velen storten zich in het verderf door schaamte, En gaan te gronde om wille van een dwaas;
23Zij doen aan een vriend beloften uit menselijk opzicht, En maken hem zo tot vijand om niet.
24De leugen is een lelijke vlek op den mens; Toch vindt men ze dikwijls in de mond van onbeheersten.
25Beter een dief, dan wie altijd liegt; Maar beiden oogsten verderf.
26Het gedrag van een leugenaar is eerloos, En zijn schande kleeft hem altijd aan.
27Wie wijs is in het spreken, brengt zichzelf vooruit; Want een verstandig mens behaagt aan de groten.
28Wie het land bewerkt, maakt hoge schelven, Maar wie gerechtigheid oefent, wordt zelf verheven.
29Giften en geschenken verblinden het oog van den wijze, En houden als een muilkorf de berisping terug in zijn mond.
30Verborgen wijsheid en een verstopte schat: Wat voor nut hebben beide?
31Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.
32
33
Sirach 20
1Hoe veel beter is het te bestraffen dan heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard worden.
2Gelijk de lust van een gesnedene is om een jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in het gericht.
3Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege zijn veel klappen
4Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd.
5Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij.
6Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, wordt gehaat.
7Hoe fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, boet vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.
8De zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, en menige vond strekt tot schade.
9Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.
10Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft.
11Menigeen is er die veel voor weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig.
12De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.
13De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.
14Weinig zal hij geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper.
15Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.
16Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij.
17Hoe menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen met geen rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.
18Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig komen.
19Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten zal hij gedurig zijn.
20Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.
21Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.
22Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.
23Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak.
24De leugen is een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten is zij gedurig.
25Een dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis beërven.
26De manieren van een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande is steeds bij hem.
27Een wijze bevordert zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt de groten.
28Die zijn land bouwt, verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent zijn misdaad.
29Gaven en geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen af.
30Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nuttigheid is in beide?
31Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 20
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 20 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 20:16
"De dwaas moet zeggen: Ik heb geen vriend; Ik ontvang geen dank voor mijn gaven."
"Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij."





