Sirach 18 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 18
1Hij die in eeuwigheid leeft, en het heelal heeft geschapen,
2Jahweh alleen wordt rechtvaardig bevonden.
3
4Geen mens is in staat, zijn werken te melden; Wie zou zijn grootheid kunnen doorgronden?
5Wie zou zijn grote macht kunnen meten, Of wie zijn barmhartigheid kunnen verhalen?
6Niets kan men er af doen en niets er aan toevoegen: Jahweh's wonderwerken zijn niet te doorgronden.
7Als de mens er mee eindigt, is het pas begonnen; Als hij er mee ophoudt, staat hij verlegen.
8Wat is de mens en waartoe van nut; Wat brengt hij voor voordeel of nadeel?
9Het getal zijner dagen is op zijn hoogst honderd jaar;
10Een druppel water der zee, een korreltje zand.
11Daarom is Jahweh lankmoedig met hem, En stort Hij zijn erbarming over hem uit.
12Hij ziet en weet, hoe moeilijk zij zich bekeren; Daarom vermeerdert Hij nog zijn erbarmen.
13Een mens ontfermt zich slechts over zijn naaste, Maar God ontfermt Zich over alle vlees. Hij tuchtigt, bestraft en onderricht, En leidt als een herder zijn kudde;
14Hij ontfermt Zich over hen, die zijn tucht aanvaarden, En zich beijveren voor zijn wetten.
15Kind, voeg bij uw gave geen verwijt, Geen krenkend woord bij een gift.
16Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave.
17Zie, gaat een goed woord niet een goede gave te boven? Een beminnelijk man beschikt over beide;
18Maar een dwaas doet liefdeloos verwijten, En de gift van zo'n vitter perst tranen uit de ogen.
19Vóór ge spreekt, moet ge leren, En genezen, eer de ziekte er is.
20Onderzoek uzelf vóór het oordeel, Om op het uur der bezoeking erbarming te vinden;
21Vóórdat ge ziek wordt, moet ge u vernederen, Ten tijde der zonden reeds bekering tonen.
22Verzuim niet, op tijd een belofte te vervullen, En wacht niet tot de dood, om die schuld te voldoen.
23Eer ge iets belooft, moet ge u bezinnen; Wees niet als een mens, die Jahweh beproeft.
24Denk aan de toorn op de dag van het einde, Aan de tijd der vergelding, als God Zich afkeert;
25Denk aan de honger ten tijde van weelde, Aan armoe en gebrek in dagen van rijkdom.
26Van 's morgens tot 's avonds wisselt de tijd; Alles ijlt voorbij voor het aanschijn van Jahweh.
27Een verstandig man neemt zich bij alles in acht, En wacht zich in zondige tijden voor een misstap.
28Wie verstandig is, wil wijsheid leren, En prijst hem, die haar heeft gevonden.
29Die spreuken verstaan, onderrichten de wijsheid, En brengen scherpzinnige gelijkenissen voort.
30Loop niet achter uw begeerten aan, En houd u ver van uw lusten;
31Als ge u toestaat, wat de hartstocht wil, Maakt ge uzelf tot een vreugd voor uw vijand.
32Verheug u niet over een weinig genot, Want dubbel zwaar valt dan het gemis;
33Wees geen verkwister en geen drinker, Want dan blijft er niets in de buidel.
Sirach 18
1Die in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen in het gemeen geschapen.
2De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.
3Wie heeft hij macht gegeven zijn werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?
4Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen?
5De wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.
6Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.
7Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?
8Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van eenieder kan van niemand berekend worden.
9Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.
10Daarom is de Here lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid op hen uit.
11Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.
12De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.
13Hij bestraft, en onderwijst, en leert, en bekeert gelijk een herder zijn kudde.
14Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.
15Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.
16Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave.
17Zie, is een woord niet boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.
18Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.
19Leer eer gij spreekt, en gebruik medicijn eer gij ziek wordt.
20Eer gij geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en gij zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.
21Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.
22Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.
23Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.
24Gedenk aan de gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal afkeren.
25Gedenk aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.
26Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.
27eenieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.
28En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar te belijden.
29Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.
30Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.
31Indien gij uw zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.
32Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.
33Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 18
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 18 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 18:16
"Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave."
"Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave."





