Sirach 17 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 17
1De Heer heeft den mens uit aarde geschapen, Maar Hij voert hem ook tot haar terug;
2Hij schonk hun slechts weinige dagen, een vaste tijd, En gaf hun macht over wat er op aarde bestaat.
3Naar hun aard heeft Hij hen met macht bekleed, En naar zijn beeld hen geschapen;
4Alle vlees vervulde Hij met ontzag voor den mens, Want Hij maakte hem heer over dieren en vogels.
5
6Hij schonk hun een tong, ogen en oren, En gaf hun een hart om te denken;
7Met verstand en kennis vervulde Hij hen, En toonde hun, wat goed is en kwaad.
8Hij plaatste zijn oog in hun hart, Opdat zij de grootheid zijner werken zouden begrijpen.
9
10Zij zullen de lof verkonden van zijn heilige Naam, Om de grootheid van zijn werken te prijzen.
11Hij gaf hun nog weer nieuwe kennis, Toen Hij hun de wet des levens gaf;
12Hij sloot met hen een eeuwig verbond, En openbaarde hun zijn wetten.
13Hun ogen hebben zijn grote glorie aanschouwd, Hun oren zijn heerlijke stem vernomen.
14Hij sprak tot hen: “Wacht u voor alle kwaad,” En gaf iedereen geboden over zijn naaste.
15Hun wegen liggen altijd voor Hem open, En zijn niet verborgen voor zijn ogen;
16
17
18
19Al hun werken staan als de zon voor zijn aanschijn, Want zijn ogen rusten steeds op hun wegen.
20Hun ongerechtigheden zijn voor Hem niet verborgen; Al hun zonden liggen open voor den Heer.
21
22Als een zegelring bewaart Hij de aalmoes der mensen, Iemands weldaad als de appel van het oog;
23Later verheft Hij Zich om het hun te belonen, Of om straf op hun hoofd te doen komen.
24Toch schenkt Hij bekering aan de boetvaardigen. En moedigt de vertwijfelden aan:
25Keer terug tot den Heer, en verlaat de zonden; Bid voor zijn aanschijn, en verminder het kwaad.
26Bekeer u tot God, wend u af van het onrecht. Haat, zo diep als ge kunt, alle gruwel!'.
27Wie zal in het dodenrijk den Allerhoogste loven, Zoals de levenden Hem prijzen?
28Een dode is niet meer; hij heeft alle lof gestaakt; De levende en gezonde kunnen Jahweh nog loven.
29Hoe groot is Jahweh's ontferming, En zijn erbarming voor die zich tot Hem bekeren!
30Niet alles toch is volmaakt bij de mensen, Daar het mensenkind niet onsterfelijk is.
31Wat straalt er meer dan de zon; toch wordt ze verduisterd: En de mens is maar een schepsel van vlees en bloed.
Sirach 17
1De Here heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.
2Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.
3Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.
4Hij heeft hun vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.
5En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.
6Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.
7Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen;
8En de uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking prijzen.
9Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.
10Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.
11Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:
12Wacht u van alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk een van zijn naaste.
13Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.
14Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.
15Daarom zijn al hun werken voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds op hun wegen.
16Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen verschoond.
17Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.
18Doch de boetvaardige heeft bij gegeven weder te keren, en heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.
19Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn aangezicht, en verminder de ergernis.
20Ga weder tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting der gezondheid.
21En haat zeer de gruwel.
22Wie zal de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der levenden, en dergenen die dankzegging spreken?
23Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.
24Maar die leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.
25Hoe groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.
26Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon onsterfelijk is.
27Wat is klaarder dan de zon, en nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.
28Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, en alle mensen zijn maar aarde en as.
29
30
31
32
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 17
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 17 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 17:16
"De Heer heeft den mens uit aarde geschapen, Maar Hij voert hem ook tot haar terug;"
"Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen verschoond."





