Sirach 14 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 14
1Gelukkig de mens dus, wiens mond hem niet aanklaagt, En wiens hart geen beschuldiging tegen hem uit;
2Gelukkig de mens, wiens geweten geen verwijten doet, Want zijn hoop zal nimmer vergaan!
3Een gierig mens heeft niets aan rijkdom, En een vrek is met goud niet gebaat.
4Wie zich zelf te kort doet, spaart voor anderen, En vreemden genieten van zijn goed.
5Wie zichzelf niets gunt, is voor niemand goed; Maar ook zelf geniet hij niet van zijn bezit.
6Wie slecht is voor zichzelf, geen slechter dan hij; Maar hij wordt ook beloond voor zijn slechtheid!
7Doet hij soms goed, het is bij vergissing; Want tenslotte komt zijn ondeugd uit.
8Slecht is de mens met hebzuchtige blik; Hij wendt het gelaat af en bekommert zich om niemand,
9Het oog van den vrek heeft aan zijn bezit niet genoeg, En het afgunstig oog mergelt hem uit.
10Het gierig oog ziet uit naar spijzen, Want niets staat er op zijn tafel; Maar een goed mens heeft spijs genoeg, Zelfs uit een droge bron stroomt water op tafel.
11Mijn zoon, zo ge wat hebt, doe uzelf dan te goed, En geniet ervan naar vermogen;
12Denk er aan, dat de dood niet draalt, Dat de tijd, die u rest, u niet wordt gemeld.
13Voordat ge sterft, doe wel aan uw naaste, Geef hem, zoveel ge maar kunt;
14Maar ontzeg ook uzelf geen gelukkige dag, Laat uw deel van het genot u niet ontsnappen.
15Moet ge niet uw bezit aan anderen achterlaten; Zullen zij uw vermogen niet verdelen door het lot?
16Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden;
17Alle vlees wordt oud als een kleed, Want van ouds luidt de wet: Het moet sterven!
18Zoals de bloesem ontspruit aan de groene boom, En het ene verwelkt, als het andere ontluikt, Zo ook het geslacht van vlees en bloed: Het ene sterft uit, het andere komt op;
19Al zijn werken zullen vergaan, Want het werk van zijn handen komt achter hem aan.
20Vierde reeks. De wijsheid en de zonde der mensen. Inleiding. De vruchten der wijsheid. Gelukkig de mens, die bedacht is op wijsheid, En naarstig zich toelegt op inzicht;
21Die zijn hart er op zet, haar wegen te kennen, En inzicht te krijgen in haar geheimen;
22Die haar achtervolgt, als was hij een verspieder, En al haar wegen beloert;
23Die door haar venster naar binnen gluurt, En luistervink speelt aan haar deur;
24Die rond haar huis zijn verblijfplaats zoekt, En zijn tentpin in haar muren drijft;
25Die aan haar zijde zijn tent opslaat, En daar een goede woning vindt;
26Die zijn nest in haar lover bouwt, En op haar takken verpoost;
27Die in haar schaduw zich tegen de hitte beschut, En een schuilhoek vindt om te wonen.
Sirach 14
1Zalig is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.
2Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.
3De rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig mens?
4Wie vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven.
5Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.
6Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner boosheid.
7Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.
8Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht de zielen.
9Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.
10Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.
11Mijn kind, doe uzelf goed naar dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden toe, gelijk behoort.
12Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.
13Doe uw vriend goed, eer gij sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit en geef hem.
14Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.
15Zult gij niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling des lots?
16Geef en neem, en heilig uw ziel.
17Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.
18Alle vlees veroudert gelijk een kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.
19Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.
20Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.
21Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt.
22Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.
23Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,
24Wie nabij haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt,
25Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.
26Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.
27
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 14
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 14 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 14:16
"Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden;"
"Geef en neem, en heilig uw ziel."





