Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 13 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 13

1Wie pek aanraakt, aan zijn hand blijft het kleven; Wie met een spotter omgaat, krijgt zijn manieren.

2Wilt ge dragen, wat te zwaar voor u is? Waarom dan omgang hebben met wie rijker is dan gij? Kan de pot wel samengaan met de ketel? Stoten ze tegen elkander, de pot zal breken.

3Doet de rijke onrecht, hij beroemt er zich op; De arme moet nog smeken, als hij verdrukt wordt.

4Zo ge hem van dienst zijt, buit hij u uit; Als ge er bij neervalt, spaart hij u niet.

5Zo lang ge hebt, doet hij vriendelijk met u, Maar maakt u arm zonder enige spijt.

6Heeft hij u nodig, dan is hij verknocht, Schertst met u, en doet erg vertrouwelijk;

7Totdat hij geslaagd is. drijft hij zijn spel met u, Tweemaal, driemaal kleedt hij u uit. Ziet hij u later, dan loopt hij u voorbij, En schudt zijn hoofd over u.

8Geef dus acht, word niet te overmoedig; Word niet gelijk aan mensen zonder verstand.

9Nadert er een prins, houd u op een afstand, Met des te groter aandrang zal hij u ontbieden;

10Dring u niet op, anders wijst men u terug, Blijf ook niet te ver, anders wordt ge vergeten.

11Ga niet te vrijpostig met hem om, En vertrouw niet te veel op zijn praten; Want hij praat zo veel, om u te beproeven, Hij schertst met u en hoort u uit.

12Meedogenloos drijft hij met iemand de spot, Onbarmhartig legt hij lagen voor velen.

13Wees dus gewaarschuwd en blijf op uw hoede; Ga niet om met mensen van geweld.

14

15Zoals ieder wezen zijns gelijke bemint, Evenzo de mens dengene, die op hem gelijkt.

16Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke.

17Sluit de wolf zich soms aan bij het lam? Evenmin de boze bij den rechtvaardige.

18Is er wel vrede tussen hyena en hond? Evenmin is er vrede tussen rijk en arm.

19De ezel der steppe is een prooi voor den leeuw, Zo zijn de armen de kudde der rijken.

20Zoals de trotse de ootmoed veracht, Zo minacht de rijke den arme.

21Wankelt de rijke, hij wordt gesteund door een vriend; Maar wankelt de arme, men stuurt hem van den een naar den ander.

22Als de rijke spreekt, heeft hij vele handlangers, En zijn lelijke woorden noemt men nog mooi. Maar spreekt de arme, dan lacht men hem uit; Al spreekt hij verstandig, hij vindt geen gehoor.

23Als de rijke spreekt, zwijgen allen stil, En hemelhoog verheft men zijn onzin. Maar spreekt een arme, dan zegt men: “Wie is dat?” Begaat hij een vergissing, dan stoot men hem neer.

24Goed is de rijkdom, als hij is zonder zonde; Maar slecht is de armoe, die voortkomt uit kwaad.

25's Mensen hart verandert zijn gelaat, Hetzij ten goede of ten kwade;

26Een blij gelaat is het teken van een goed geweten, In eenzaamheid peinzen het teken van zinnen op kwaad.

27

28

29

30

31

32

Sirach 13

1Die pek aanroert, wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.

2Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan gij.

3Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.

4Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.

5Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.

6Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

7Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

8Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.

9Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

10En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.

11Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

12Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.

13Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

14Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.

15Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij hem hoort, want gij wandelt met uw val.

16Als gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.

17Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.

18Ieder dier heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.

19Alle vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke aan.

20Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die de Here vreest.

21Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme?

22Gelijk de wilde ezels der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.

23Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.

24Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.

25Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.

26Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats. [13:27] De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan de wolken. [13:28] De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten. [13:29] De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen. [13:30] Het hart des mensen verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht. [13:31] Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.

Sirach 13

1Wie pek aanraakt, aan zijn hand blijft het kleven; Wie met een spotter omgaat, krijgt zijn manieren.

2Wilt ge dragen, wat te zwaar voor u is? Waarom dan omgang hebben met wie rijker is dan gij? Kan de pot wel samengaan met de ketel? Stoten ze tegen elkander, de pot zal breken.

3Doet de rijke onrecht, hij beroemt er zich op; De arme moet nog smeken, als hij verdrukt wordt.

4Zo ge hem van dienst zijt, buit hij u uit; Als ge er bij neervalt, spaart hij u niet.

5Zo lang ge hebt, doet hij vriendelijk met u, Maar maakt u arm zonder enige spijt.

6Heeft hij u nodig, dan is hij verknocht, Schertst met u, en doet erg vertrouwelijk;

7Totdat hij geslaagd is. drijft hij zijn spel met u, Tweemaal, driemaal kleedt hij u uit. Ziet hij u later, dan loopt hij u voorbij, En schudt zijn hoofd over u.

8Geef dus acht, word niet te overmoedig; Word niet gelijk aan mensen zonder verstand.

9Nadert er een prins, houd u op een afstand, Met des te groter aandrang zal hij u ontbieden;

10Dring u niet op, anders wijst men u terug, Blijf ook niet te ver, anders wordt ge vergeten.

11Ga niet te vrijpostig met hem om, En vertrouw niet te veel op zijn praten; Want hij praat zo veel, om u te beproeven, Hij schertst met u en hoort u uit.

12Meedogenloos drijft hij met iemand de spot, Onbarmhartig legt hij lagen voor velen.

13Wees dus gewaarschuwd en blijf op uw hoede; Ga niet om met mensen van geweld.

14

15Zoals ieder wezen zijns gelijke bemint, Evenzo de mens dengene, die op hem gelijkt.

16Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke.

17Sluit de wolf zich soms aan bij het lam? Evenmin de boze bij den rechtvaardige.

18Is er wel vrede tussen hyena en hond? Evenmin is er vrede tussen rijk en arm.

19De ezel der steppe is een prooi voor den leeuw, Zo zijn de armen de kudde der rijken.

20Zoals de trotse de ootmoed veracht, Zo minacht de rijke den arme.

21Wankelt de rijke, hij wordt gesteund door een vriend; Maar wankelt de arme, men stuurt hem van den een naar den ander.

22Als de rijke spreekt, heeft hij vele handlangers, En zijn lelijke woorden noemt men nog mooi. Maar spreekt de arme, dan lacht men hem uit; Al spreekt hij verstandig, hij vindt geen gehoor.

23Als de rijke spreekt, zwijgen allen stil, En hemelhoog verheft men zijn onzin. Maar spreekt een arme, dan zegt men: “Wie is dat?” Begaat hij een vergissing, dan stoot men hem neer.

24Goed is de rijkdom, als hij is zonder zonde; Maar slecht is de armoe, die voortkomt uit kwaad.

25's Mensen hart verandert zijn gelaat, Hetzij ten goede of ten kwade;

26Een blij gelaat is het teken van een goed geweten, In eenzaamheid peinzen het teken van zinnen op kwaad.

27

28

29

30

31

32

Sirach 13:1
NlCanisius1939

Wie pek aanraakt, aan zijn hand blijft het kleven; Wie met een spotter omgaat, krijgt zijn manieren.

DutSVVA

Die pek aanroert, wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.

2
NlCanisius1939

Wilt ge dragen, wat te zwaar voor u is? Waarom dan omgang hebben met wie rijker is dan gij? Kan de pot wel samengaan met de ketel? Stoten ze tegen elkander, de pot zal breken.

DutSVVA

Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan gij.

3
NlCanisius1939

Doet de rijke onrecht, hij beroemt er zich op; De arme moet nog smeken, als hij verdrukt wordt.

DutSVVA

Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.

4
NlCanisius1939

Zo ge hem van dienst zijt, buit hij u uit; Als ge er bij neervalt, spaart hij u niet.

DutSVVA

Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.

5
NlCanisius1939

Zo lang ge hebt, doet hij vriendelijk met u, Maar maakt u arm zonder enige spijt.

DutSVVA

Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.

6
NlCanisius1939

Heeft hij u nodig, dan is hij verknocht, Schertst met u, en doet erg vertrouwelijk;

DutSVVA

Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

7
NlCanisius1939

Totdat hij geslaagd is. drijft hij zijn spel met u, Tweemaal, driemaal kleedt hij u uit. Ziet hij u later, dan loopt hij u voorbij, En schudt zijn hoofd over u.

DutSVVA

Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

8
NlCanisius1939

Geef dus acht, word niet te overmoedig; Word niet gelijk aan mensen zonder verstand.

DutSVVA

Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.

9
NlCanisius1939

Nadert er een prins, houd u op een afstand, Met des te groter aandrang zal hij u ontbieden;

DutSVVA

Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

10
NlCanisius1939

Dring u niet op, anders wijst men u terug, Blijf ook niet te ver, anders wordt ge vergeten.

DutSVVA

En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.

11
NlCanisius1939

Ga niet te vrijpostig met hem om, En vertrouw niet te veel op zijn praten; Want hij praat zo veel, om u te beproeven, Hij schertst met u en hoort u uit.

DutSVVA

Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

12
NlCanisius1939

Meedogenloos drijft hij met iemand de spot, Onbarmhartig legt hij lagen voor velen.

DutSVVA

Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.

13
NlCanisius1939

Wees dus gewaarschuwd en blijf op uw hoede; Ga niet om met mensen van geweld.

DutSVVA

Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

14
NlCanisius1939

DutSVVA

Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.

15
NlCanisius1939

Zoals ieder wezen zijns gelijke bemint, Evenzo de mens dengene, die op hem gelijkt.

DutSVVA

Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij hem hoort, want gij wandelt met uw val.

16
NlCanisius1939

Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke.

DutSVVA

Als gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.

17
NlCanisius1939

Sluit de wolf zich soms aan bij het lam? Evenmin de boze bij den rechtvaardige.

DutSVVA

Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.

18
NlCanisius1939

Is er wel vrede tussen hyena en hond? Evenmin is er vrede tussen rijk en arm.

DutSVVA

Ieder dier heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.

19
NlCanisius1939

De ezel der steppe is een prooi voor den leeuw, Zo zijn de armen de kudde der rijken.

DutSVVA

Alle vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke aan.

20
NlCanisius1939

Zoals de trotse de ootmoed veracht, Zo minacht de rijke den arme.

DutSVVA

Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die de Here vreest.

21
NlCanisius1939

Wankelt de rijke, hij wordt gesteund door een vriend; Maar wankelt de arme, men stuurt hem van den een naar den ander.

DutSVVA

Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme?

22
NlCanisius1939

Als de rijke spreekt, heeft hij vele handlangers, En zijn lelijke woorden noemt men nog mooi. Maar spreekt de arme, dan lacht men hem uit; Al spreekt hij verstandig, hij vindt geen gehoor.

DutSVVA

Gelijk de wilde ezels der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.

23
NlCanisius1939

Als de rijke spreekt, zwijgen allen stil, En hemelhoog verheft men zijn onzin. Maar spreekt een arme, dan zegt men: “Wie is dat?” Begaat hij een vergissing, dan stoot men hem neer.

DutSVVA

Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.

24
NlCanisius1939

Goed is de rijkdom, als hij is zonder zonde; Maar slecht is de armoe, die voortkomt uit kwaad.

DutSVVA

Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.

25
NlCanisius1939

's Mensen hart verandert zijn gelaat, Hetzij ten goede of ten kwade;

DutSVVA

Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.

26
NlCanisius1939

Een blij gelaat is het teken van een goed geweten, In eenzaamheid peinzen het teken van zinnen op kwaad.

DutSVVA

Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats. [13:27] De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan de wolken. [13:28] De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten. [13:29] De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen. [13:30] Het hart des mensen verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht. [13:31] Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.

27
NlCanisius1939

DutSVVA

28
NlCanisius1939

DutSVVA

29
NlCanisius1939

DutSVVA

30
NlCanisius1939

DutSVVA

31
NlCanisius1939

DutSVVA

32
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 13

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 13 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 13:16

NlCanisius1939

"Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke."

DutSVVA

"Als gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward