Sirach 10 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 10
1Een verstandig vorst houdt zijn volk in tucht, En het bestuur van een wijze is welgeordend.
2Zoals de vorst van een volk, zo ook zijn beambten; En zoals het hoofd van een stad, zo ook haar bewoners.
3Een onbesuisd koning brengt verderf over de stad, Maar de wijsheid van haar vorst brengt de stad tot bloei.
4In de hand van God rust het bestuur van de wereld; In iedere tijd geeft Hij haar den geschikten man.
5In de hand van God ligt ieders gezag; Hij verleent den bestuurder zijn aanzien.
6Verdruk den naaste niet met geweld, En bewandel niet de weg van de hoogmoed.
7Hoogmoed is gehaat bij God en de mensen, Bij beiden nog erger dan verdrukking.
8De heerschappij ging over van volk op volk, Ter oorzake van verdrukking en hoogmoed.
9Wat durft stof en as zich verheffen, Wiens lichaam reeds bij zijn leven verteert.
10Een lichte ziekte: de dokter lacht; Heden nog koning: komt hij morgen ten val.
11En sterft de mens, hij krijgt als zijn deel ontbinding en maden, ongedierte en wormen.
12De trots begint, als de mens tot macht komt; Dan keert zijn hart zich af van zijn Schepper.
13Want de hoogmoed is een vergaarbak van zonde, Een bron, waaruit ongerechtigheid opborrelt. Daarom zal God dat hart met kwelling vervullen, En hem slaan tot vernietiging toe.
14De troon der hovaardigen stort God omver; Hij zet de deemoedigen in hun plaats.
15
16De sporen der trotsen wist God uit, En hun stronk houwt Hij af tot de grond;
17Hij rukt ze uit het land en drijft ze weg, En doet hun gedachtenis van de aarde verdwijnen.
18Want hoogmoed past niet aan den mens, Verwaten trots niet aan het kind van de vrouw.
19Welk mensengeslacht staat hoog in ere? Dat geslacht is in ere, dat God vreest. Welk mensengeslacht is zonder eer? Dat geslacht is veracht, dat de geboden overtreedt.
20Zoals een vorst geëerd is in de kring van zijn broeders, Zo is een godvrezende geëerd in Gods ogen;
21
22Bijwoner, vreemdeling, buitenlander of arme: Hun aller roem is de vreze Gods.
23Veracht dus geen arme, die rechtschapen is, En eer geen zondaar, wie het ook zij.
24Prins, vorst en rechter staan in ere, Maar geen is er groter, dan wie God vreest.
25Een verstandige slaaf wordt door vrijen gediend, En geen wijze, die er om mort.
26Wees niet eigenwijs, dat gij slechts werkt, als het u lust, En poch niet ten tijde van nood;
27Beter wie werkt en van alles genoeg heeft, Dan wie pocht, maar niets heeft te eten.
28Mijn zoon, houd in alle ootmoed uzelf in ere, En bezorg u de achting, zoals het behoort.
29Wie zal hem rechtvaardigen, die zichzelf veroordeelt; Wie hem eren, die zichzelf onteert?.
30Soms worden armen geëerd om hun wijsheid, Terwijl anderen in ere zijn om hun bezit.
31Werd zo'n arme eens rijk, hoeveel groter zijn eer; Werd zo'n rijke eens arm, hoeveel groter zijn schande!
32
33
34
Sirach 10
1Een wijs rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen is ordelijk aangesteld.
2Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.
3Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.
4De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.
5In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.
6Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.
7Hovaardigheid is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad der ongerechtigheid.
8Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?
9Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger dan een geldgierige.
10Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.
11De medicijnmeester houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning, en morgen zal hij sterven.
12Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.
13Het beginsel der hovaardigheid is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.
14Want hovaardigheid is een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.
15Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.
16De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet.
17De Here rukt de wortelen der hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid.
18De landen der volken keert de Here om, en verderft ze tot op de grond der aarde.
19Hij heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven.
20En heeft hun gedachtenis doen ophouden van de aarde.
21De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.
22Die de Here vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend zaad.
23In het midden der broeders is degene geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd voor zijn ogen.
24De vreze des Heren is een heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.
25De roem eens rijken, en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.
26Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men een zondaar eert.
27De groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd, maar geen hunner is meerder dan die de Here vreest.
28Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.
29Denk niet wijs te zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.
30Want het is beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.
31Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid. [10:32] Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert? [10:33] Een arme wordt verheerlijkt vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt vanwege zijn rijkdom. [10:34] Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 10
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 10 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 10:16
"De sporen der trotsen wist God uit, En hun stronk houwt Hij af tot de grond;"
"De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet."





