Sirach 11 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Sirach 11
1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.
2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.
3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.
4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.
5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;
6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.
7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!
8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;
9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.
10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.
11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.
12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;
13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.
14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.
15
16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;
17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.
18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:
19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.
20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?
24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?
25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.
26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.
29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.
30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;
31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.
32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.
33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?
34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.
35
36
Sirach 11
1De wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.
2Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.
3De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.
4Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.
5Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.
6Vele machtigen zijn grotelijks onteerd geworden, en vele heerlijke lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.
7Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.
8Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.
9Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.
10Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.
11Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.
12Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;
13En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.
14Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.
15Wijsheid en wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der goede werken zijn van hem.
16Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.
17De gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.
18Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.
19Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.
20Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk.
21Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.
22Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.
23De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.
24Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn?
25Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?
26In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.
27Want het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.
28Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.
29Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.
30Leid niet eenieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.
31Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen vallen.
32Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.
33Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed.
34Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve. [11:35] Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 11
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 11 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Sirach 11:16
"In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;"
"Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid."





