Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Sirach 11 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Sirach 11

1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.

2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.

3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.

4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.

5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;

6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.

7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!

8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;

9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.

10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.

11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.

12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;

13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.

14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.

15

16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;

17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.

18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:

19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.

20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.

21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.

22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.

23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?

24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?

25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.

26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.

27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.

28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.

29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.

30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;

31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.

32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.

33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?

34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.

35

36

Sirach 11

1De wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.

2Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.

3De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.

4Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.

5Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.

6Vele machtigen zijn grotelijks onteerd geworden, en vele heerlijke lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.

7Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.

8Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.

9Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.

10Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.

11Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.

12Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;

13En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.

14Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.

15Wijsheid en wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der goede werken zijn van hem.

16Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.

17De gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.

18Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.

19Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.

20Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk.

21Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.

22Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.

23De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.

24Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn?

25Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

26In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.

27Want het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.

28Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.

29Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.

30Leid niet eenieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.

31Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen vallen.

32Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.

33Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed.

34Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve. [11:35] Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

Sirach 11

1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.

2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.

3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.

4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.

5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;

6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.

7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!

8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;

9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.

10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.

11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.

12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;

13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.

14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.

15

16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;

17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.

18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:

19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.

20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.

21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.

22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.

23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?

24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?

25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.

26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.

27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.

28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.

29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.

30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;

31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.

32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.

33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?

34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.

35

36

Sirach 11:1
NlCanisius1939

De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.

DutSVVA

De wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.

2
NlCanisius1939

Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.

DutSVVA

Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.

3
NlCanisius1939

De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.

DutSVVA

De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.

4
NlCanisius1939

Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.

DutSVVA

Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.

5
NlCanisius1939

Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;

DutSVVA

Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.

6
NlCanisius1939

Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.

DutSVVA

Vele machtigen zijn grotelijks onteerd geworden, en vele heerlijke lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.

7
NlCanisius1939

Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!

DutSVVA

Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.

8
NlCanisius1939

Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;

DutSVVA

Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.

9
NlCanisius1939

Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.

DutSVVA

Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.

10
NlCanisius1939

Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.

DutSVVA

Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.

11
NlCanisius1939

Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.

DutSVVA

Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.

12
NlCanisius1939

Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;

DutSVVA

Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;

13
NlCanisius1939

Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.

DutSVVA

En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.

14
NlCanisius1939

Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.

DutSVVA

Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.

15
NlCanisius1939

DutSVVA

Wijsheid en wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der goede werken zijn van hem.

16
NlCanisius1939

In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;

DutSVVA

Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.

17
NlCanisius1939

Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.

DutSVVA

De gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.

18
NlCanisius1939

Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:

DutSVVA

Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.

19
NlCanisius1939

Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.

DutSVVA

Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.

20
NlCanisius1939

Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.

DutSVVA

Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk.

21
NlCanisius1939

Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.

DutSVVA

Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.

22
NlCanisius1939

De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.

DutSVVA

Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.

23
NlCanisius1939

Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?

DutSVVA

De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.

24
NlCanisius1939

Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?

DutSVVA

Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn?

25
NlCanisius1939

Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.

DutSVVA

Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

26
NlCanisius1939

Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.

DutSVVA

In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.

27
NlCanisius1939

De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.

DutSVVA

Want het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.

28
NlCanisius1939

Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.

DutSVVA

Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.

29
NlCanisius1939

Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.

DutSVVA

Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.

30
NlCanisius1939

Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;

DutSVVA

Leid niet eenieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.

31
NlCanisius1939

Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.

DutSVVA

Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen vallen.

32
NlCanisius1939

Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.

DutSVVA

Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.

33
NlCanisius1939

Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?

DutSVVA

Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed.

34
NlCanisius1939

Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.

DutSVVA

Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve. [11:35] Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

35
NlCanisius1939

DutSVVA

36
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Sirach 11

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Sirach 11 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Sirach 11:16

NlCanisius1939

"In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;"

DutSVVA

"Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward