Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Mattheüs Hoofdstuk 10

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
MATTHEÜS

Mattheüs 10

1En toen Hij zijn twaalf leerlingen bijeen had geroepen, gaf Hij hun de macht, om de onreine geesten uit te drijven, en alle ziekten en kwalen te genezen.
Mattheüs 11:29, 2 Korintiërs 10:10, Mattheüs 11:29, 2 Korintiërs 10:10, Galaten 5:2
2De namen der twaalf apostelen zijn: De eerste, Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer;
2 Korintiërs 13:10, 2 Korintiërs 13:10, 2 Korintiërs 13:2, 2 Korintiërs 13:2, Galaten 5:16
3Jakobus, zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs; Tomas en Matteüs de tollenaar; Jakobus, zoon van Alfeüs, en Taddeüs;
2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:4, Galaten 2:20, Galaten 2:20, 1 Petrus 4:1
4Simon de ijveraar en Judas Iskáriot, die Hem verraden heeft.
2 Korintiërs 6:7, 2 Korintiërs 6:7, Jeremia 1:10, Jeremia 1:10, Efeziërs 6:13
5Deze twaalf zond Jesus uit, en Hij gebood hun: Slaat niet de weg naar de heidenen in, en treedt de steden van de Samaritanen niet binnen;
Hebreeën 4:12, Hebreeën 4:12, Jesaja 55:7, Jesaja 55:7, 1 Petrus 1:14
6maar gaat liever tot de verdwaalde schapen uit het huis van Israël.
2 Korintiërs 2:9, 2 Korintiërs 2:9, Numeri 16:26, Numeri 16:30, 2 Korintiërs 7:15
7Gaat, preekt hun, en zegt: Het rijk der hemelen is nabij!
1 Korintiërs 14:37, 2 Korintiërs 5:12, 1 Korintiërs 14:37, 2 Korintiërs 5:12, 2 Korintiërs 11:23
8Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij ontvangen; geeft om niet.
2 Korintiërs 13:10, 2 Korintiërs 13:10, 2 Korintiërs 1:24, Galaten 1:1, 2 Timotheüs 1:12
9Goud-, zilver- noch kopergeld moogt gij in uw gordels dragen,
2 Korintiërs 10:10, 1 Korintiërs 4:5, 1 Korintiërs 4:19, 1 Korintiërs 4:21, 2 Korintiërs 10:10
10geen tas, geen twee onderkleren, geen schoeisel, geen reisstaf meenemen; want de arbeider heeft recht op zijn onderhoud.
1 Korintiërs 1:17, 1 Korintiërs 1:17, 2 Korintiërs 11:6, Exodus 4:10, Galaten 4:13
11In welke stad of dorp gij ook komt, onderzoekt, wie daar de waardigste is; en blijft bij hem, totdat gij weer afreist.
2 Korintiërs 12:20, 2 Korintiërs 13:2, 2 Korintiërs 13:3, 2 Korintiërs 13:10, 2 Korintiërs 12:20
12Als gij dat huis binnentreedt, brengt het uw groet.
Spreuken 27:2, Spreuken 27:2, Spreuken 26:12, Spreuken 26:12, Lucas 18:11
13En zo dat huis het waardig is, dan daalt uw vrede er over neer; zo niet, dan keert uw vrede terug op u.
Romeinen 15:20, Romeinen 12:6, 2 Korintiërs 10:14, 2 Korintiërs 10:15, Romeinen 15:20
14En waar men u niet ontvangt en niet luistert naar uw woorden, verlaat dat huis of die stad, en schudt het stof van uw voeten.
Romeinen 1:16, 1 Korintiërs 4:15, 1 Timotheüs 1:11, Romeinen 1:16, 1 Korintiërs 4:15
15Voorwaar, Ik zeg u: voor het land van Sódoma en Gomorra zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor die stad.
Romeinen 15:20, Romeinen 15:20, 2 Tessalonicenzen 1:3, 2 Tessalonicenzen 1:3, 2 Korintiërs 10:13
16Ziet, Ik zend u als schapen midden onder de wolven. Weest dus voorzichtig als de slangen, en eenvoudig als de duiven.
Romeinen 15:24, Romeinen 15:28, Romeinen 15:24, Romeinen 15:28, Handelingen 19:21
17Wacht u voor de mensen. Want ze zullen u overleveren aan de rechtbanken, en geselen in hun synagogen.
Jeremia 9:23, Jeremia 9:24, Jeremia 9:23, Jeremia 9:24, 1 Korintiërs 1:31
18Terwille van Mij zult gij voor landvoogden en koningen worden gesleept, om getuigenis af te leggen bij hen en bij de heidenen.
Spreuken 21:2, Lucas 16:15, Spreuken 21:2, Lucas 16:15, Romeinen 2:29
19Maar als ze u overleveren, weest dan niet bezorgd, hoe of wat gij zult spreken; want in dat uur zal u worden ingegeven, wat gij moet zeggen.
20Immers niet gij zijt het, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, die door u spreekt.
21De broer zal zijn broer ter dood overleveren, de vader zijn zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders, en ze doden.
22Om mijn Naam zult gij gehaat zijn bij allen; maar wie volhardt ten einde toe, zal zalig worden.
23Als men u vervolgt in de ene stad, vlucht dan naar een andere. Voorwaar, Ik zeg u: gij zult de steden van Israël nog niet hebben afgereisd, wanneer de Mensenzoon komt.
24De leerling staat niet boven zijn meester, de dienaar niet boven zijn heer.
25Voor den leerling is het genoeg, als het hem gaat als zijn meester; voor den dienaar, als het hem gaat als zijn heer. Indien men den heer des huizes Beélzebub heeft genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten.
26Vreest hen dus niet. Want niets is bedekt, dat niet ontdekt, niets verborgen, dat niet bekend zal worden.
27Wat Ik u zeg in het duister, zegt dat op klaarlichte dag; en wat gij hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.
28Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, doch de ziel niet kunnen doden; vreest liever Hem, die èn ziel èn lichaam in de hel kan verderven.
29Worden niet twee mussen voor een penning verkocht? En toch zal er niet één op de grond vallen zonder de wil van uw Vader.
30En van u zijn alle hoofdharen geteld.
31Vreest dus niet; gij zijt meer waard dan een zwerm mussen.
32Wie Mij belijdt voor de mensen, zal ook Ik voor mijn Vader belijden, die in de hemelen is.
33Maar wie Mij voor de mensen verloochent, hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.
34Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; geen vrede, maar het zwaard ben Ik komen brengen.
35Want Ik ben verdeeldheid komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder;
36en ‘s mensen ergste vijanden zullen zijn huisgenoten zijn.
37Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig; wie zijn zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.
38En wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mijner niet waardig.
39Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie terwille van Mij zijn leven verliest, zal het vinden.
40Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op, die Mij gezonden heeft.
41Wie een profeet opneemt, omdat hij profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige opneemt, omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
42En wie slechts een beker koud water te drinken geeft aan een dezer kleinen, omdat hij een leerling is, voorwaar, Ik zeg u: hem zal zijn loon niet ontgaan.

Andere Boeken

MattheüsMarcusLucas+

Andere Boeken

MattheüsHfst. 10
MarcusLucasJohannesHandelingenRomeinen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward