1De volgende dag liet Holoférnes zijn troepen tegen Betoel oprukken.stylusPsalmen 39:4, Psalmen 39:4, Job 14:5, Job 14:6, Job 14:52Het waren honderd twintigduizend man voetvolk en twee en twintigduizend ruiters, behalve de hulptroepen van alle jongemannen, die hij in de provincies en de steden had gevangen genomen en meegevoerd.stylusLeviticus 19:13, Leviticus 19:13, Deuteronomium 24:15, Deuteronomium 24:15, Jakobus 5:43Allen maakten zich tegelijkertijd op voor de strijd tegen de Israëlieten. Langs de berghelling trokken zij naar de top, die Dotan beheerst, en verspreidden zich van het punt, dat Belmáin heet, tot Chelmon tegenover Esdrelon.stylusPsalmen 6:6, Psalmen 6:6, Prediker 1:14, Prediker 1:14, Job 29:24Toen nu de Israëlieten hun grote overmacht zagen, wierpen zij zich op de grond, strooiden as op hun hoofd en smeekten gezamenlijk, dat de God van Israël Zich over zijn volk zou ontfermen.stylusDeuteronomium 28:67, Deuteronomium 28:67, Job 7:13, Job 7:14, Job 7:135Daarna namen zij hun wapens op, bezetten de punten, waar zich een smal bergpad bevond, en bleven daar dag en nacht op wacht.stylusJob 17:14, Jesaja 14:11, Job 17:14, Jesaja 14:11, Job 2:76Nu ontdekte Holoférnes, die intussen de omgeving in ogenschouw nam, aan de zuidzijde buiten de stad een bron, waarop hun waterleiding aansloot, en liet de watertoevoer afsnijden.stylusJob 9:25, Job 9:25, Job 17:15, Job 17:15, Jesaja 40:67Daar er echter niet ver buiten de muren nog andere bronnen waren, waaruit men de Joden heimelijk water zag putten, niet zozeer om te drinken dan wel om zich te verfrissen,stylusJakobus 4:14, Jakobus 4:14, Psalmen 78:39, Psalmen 78:39, Jeremia 15:158gingen de Ammonieten en Moabieten naar Holoférnes en zeiden: De Israëlieten vertrouwen niet op hun lansen en pijlen, maar op de bergen, die hen beschermen, en op de steil aflopende heuvels, die hen beschutten.stylusJob 20:9, Job 20:9, Psalmen 37:36, Psalmen 37:36, Psalmen 90:89Wilt gij hen dus zonder slag of stoot in uw macht krijgen, dan moet gij de bronnen laten bewaken en hen verhinderen, water te putten. Zo kunt ge hen zonder wapengeweld om het leven brengen, of zullen zij van uitputting hun stad overgeven, die volgens hen onneembaar is, omdat zij in de bergen ligt.stylus2 Samuël 14:14, 2 Samuël 14:14, Job 16:22, Job 30:15, Job 14:1010Holoférnes en zijn lijfwacht vonden dit een uitstekend voorstel; hij gaf dus bevel, bij elke bron een wachtpost te plaatsen van honderd man.stylusJob 8:18, Job 8:18, Psalmen 103:16, Job 20:9, Psalmen 103:1611Toen deze bewaking twintig dagen geduurd had, was de watervoorraad in de putten van alle inwoners van Betoel opgeraakt, en was er in de stad geen voldoende drinkwater meer, zelfs niet voor één enkele dag, ook als men het volk slechts een geringe hoeveelheid water zou geven.stylusPsalmen 40:9, Psalmen 40:9, Job 10:1, 1 Samuël 1:10, Job 10:112Daarom gingen alle mannen en vrouwen, de jongemannen en de kinderen naar Oezzija, en riepen allen tezamen:stylusJob 7:17, Ezechiël 32:2, Ezechiël 32:3, Job 38:6, Job 38:1113God moge oordelen tussen u en ons; want gij hebt ons in het ongeluk gestort. Omdat ge geen vrede hebt willen sluiten met de Assyriërs, heeft God ons aan hen verkocht.stylusPsalmen 6:6, Psalmen 6:6, Job 7:3, Job 7:4, Psalmen 77:414Dit is ook de reden, waarom ons niemand te hulp komt, en dat wij voor hun ogen van dorst en volkomen uitputting bezwijken.stylusGenesis 40:5, Genesis 40:7, Genesis 41:8, Daniël 2:1, Genesis 40:515Roep nu alle burgers bijeen, om ons allen vrijwillig aan de soldaten van Holofèrnes over te geven.stylus2 Samuël 17:23, Mattheüs 27:5, 2 Samuël 17:23, Mattheüs 27:516Want het is beter voor ons, met behoud van ons leven, God in gevangenschap te dienen, dan te sterven en door de hele wereld bespot te worden, als wij onze vrouwen en kinderen voor onze ogen zien sterven.stylus1 Koningen 19:4, Job 10:1, 1 Koningen 19:4, Job 10:1, Jona 4:817Wij bezweren u heden bij hemel en aarde en bij den God onzer vaderen, die ons straft volgens onze zonden: Geef de stad nu over aan het leger van Holoférnes, en laat het zwaard spoedig een einde aan ons maken; want anders wordt het maar nodeloos uitgesteld, terwijl wij versmachten van dorst.stylusHebreeën 2:6, Hebreeën 2:6, Psalmen 8:4, Psalmen 8:4, Psalmen 144:318Hierop begonnen alle aanwezigen luid te jammeren en te wenen, en urenlang riepen zij eenparig tot den Heer en zeiden:stylusJesaja 38:12, Jesaja 38:13, 1 Petrus 1:7, Jeremia 9:7, Jesaja 38:1219Ook wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen; wij hebben verkeerd gedaan en zonden bedreven.stylusJob 9:18, Job 9:18, Psalmen 13:1, Psalmen 13:3, Job 14:620Ontferm U over ons in uw barmhartigheid, of straf onze misdaden met uw eigen gesels, maar lever ons, die U belijden, niet over aan een volk, dat U niet kent.stylusKlaagliederen 3:12, Klaagliederen 3:12, Job 3:24, Job 7:11, Job 7:1221Duld niet, dat men onder de heidenen zegt: “Waar is hun God?”stylusDaniël 12:2, Job 10:14, Daniël 12:2, Job 10:14, Jesaja 64:922En toen zij, vermoeid van dit roepen en afgemat van het schreien, zwegen,stylus23stond Oezzi-ja op, en sprak met tranen in de ogen: Broeders, houdt moed; laat ons nog vijf dagen wachten op Gods barmhartigheid.stylus24Misschien zal Hij een einde maken aan zijn verbolgenheid, en zijn Naam verheerlijken.stylus25Maar als er na verloop van vijf dagen geen hulp is gekomen, zullen wij doen, wat gij zegt.stylus