1Toen ik dus tot u kwam, broeders, ben ik niet met macht van woord of wijsheid u de getuigenis Gods komen verkondigen.stylus1 Tessalonicenzen 4:14, 1 Tessalonicenzen 4:17, 1 Tessalonicenzen 4:14, 1 Tessalonicenzen 4:17, Marcus 13:272En ik was besloten, onder u niets te kennen, dan Jesus Christus, en Dien gekruisigd.stylus1 Johannes 4:1, 1 Johannes 4:2, 1 Johannes 4:1, 1 Johannes 4:2, Marcus 13:73Ik trad bij u op in zwakheid, vrees, en grote siddering;stylusMattheüs 24:4, Mattheüs 24:6, Mattheüs 24:4, Mattheüs 24:6, 1 Johannes 2:184mijn spreken en preken steunden niet op overtuigende woorden van wijsheid, maar op de overtuiging des Geestes en der kracht,stylusEzechiël 28:2, Daniël 7:25, Ezechiël 28:2, Daniël 7:25, Openbaring 13:65opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op Gods kracht.stylus2 Petrus 1:15, Galaten 5:21, Johannes 16:4, 2 Petrus 1:15, Galaten 5:216Toch preken we wijsheid onder de volmaakten; maar geen wijsheid dezer wereld, noch der machten dezer wereld, die vernietigd zullen worden.stylus2 Tessalonicenzen 2:3, 2 Tessalonicenzen 2:3, 2 Tessalonicenzen 2:8, 2 Tessalonicenzen 2:87Ja, we verkondigen een Wijsheid Gods, een geheimnisvolle, een verborgene, welke God vóór de tijden heeft voorbestemd tot onze glorie,stylus1 Johannes 2:18, 2 Timotheüs 2:17, 2 Timotheüs 2:18, Handelingen 20:29, 1 Johannes 2:188die geen der machten dezer wereld heeft gekend, —want zo ze haar gekend hadden, zouden ze den Heer der glorie niet hebben gekruisigd,stylusOpenbaring 19:20, Openbaring 19:21, 2 Tessalonicenzen 2:3, Openbaring 19:20, Openbaring 19:219maar een, waarvan geschreven staat: "Wat het oog niet heeft gezien, Noch het oor heeft gehoord, Noch in het hart van een mens is opgekomen, Wat God heeft bereid voor hen, die Hem liefhebben."stylusMattheüs 24:24, Mattheüs 24:24, Openbaring 19:20, Openbaring 19:20, Efeziërs 2:210Immers, òns heeft God ze geopenbaard door den Geest. Want de Geest doorgrondt alles, zelfs de verborgenheden Gods.stylus1 Korintiërs 1:18, 1 Korintiërs 1:18, Spreuken 1:7, Spreuken 1:7, 2 Korintiërs 4:211Wie der mensen toch kent de verborgenheden van den mens, behalve de geest van den mens, die in hem is? Zo ook kent niemand die van God, tenzij de Geest van God.stylusRomeinen 1:28, Romeinen 1:28, Johannes 12:39, Johannes 12:43, Johannes 12:3912Welnu, we hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar den Geest, die uit God is, opdat we zouden kennen wat ons door God is geschonken.stylusRomeinen 1:32, Romeinen 1:32, Romeinen 8:7, Romeinen 8:8, Marcus 16:1613En dat spreken we ook uit, niet met woorden door menselijke wijsheid aangeleerd, maar door den Geest onderwezen; het geestelijke met het geestelijke verenigend.stylus2 Timotheüs 1:9, 1 Tessalonicenzen 5:9, 2 Timotheüs 1:9, 1 Tessalonicenzen 5:9, Efeziërs 1:414Maar de verstands-mens aanvaardt niet wat van Gods Geest komt, want het is hem een dwaasheid; en hij kàn het zelfs niet kennen, omdat het op geestelijke wijze moet beoordeeld worden.stylus1 Tessalonicenzen 2:12, 1 Tessalonicenzen 2:12, 1 Petrus 5:10, 1 Petrus 5:10, 1 Tessalonicenzen 1:515De geestelijke mens daarentegen beoordeelt alles, zonder zelf door iemand beoordeeld te worden.stylus1 Korintiërs 11:2, 1 Korintiërs 11:2, 2 Tessalonicenzen 3:6, 2 Tessalonicenzen 3:6, 2 Tessalonicenzen 2:216"Wie toch kent het inzicht des Heren, dat hij Hem zou onderrichten?" Welnu, wij hebben het inzicht van Christus.stylusJohannes 3:16, Johannes 3:16, Romeinen 5:2, Romeinen 5:5, Romeinen 5:2