Wijsheid 2 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 2
1Want ze zeggen tot elkander in valse waan: Ons leven is maar kort en vol verdriet; Geen redmiddel, als het einde van den mens is gekomen; Nooit heeft men van iemand gehoord, die uit het dodenrijk redt.
2Ja, bij toeval is het, dat wij ontstonden, En later zal het zijn, als hadden wij nooit bestaan; Want rook is de adem in onze neus, Ons denken een vonk, ontslagen aan ons hart.
3Dooft ze uit, het lichaam vergaat tot stof, En de geest vervliegt als ijle lucht;
4Onze naam wordt spoedig vergeten, En niemand denkt er meer aan onze werken. Zo snelt ons leven voorbij als een drijvende wolk, En lost zich op als een nevel, Die door de stralen van de zon wordt verdreven, Tot neerslaan gebracht door haar gloed.
5Ja, ons leven is een vluchtige schaduw, En ons einde kan niet worden herroepen; Want het wordt verzegeld, en niemand keert terug.
6Komt dan, laat ons profiteren van het goed, dat wij hebben, En flink van de wereld genieten, zolang wij nog jong zijn;
7Verzadigen wij ons met kostbare wijn en met zalven, Geen lentebloesem mag ons ontgaan!
8Omkransen wij ons met rozenknoppen, eer ze verwelken,
9Geen hof blijve verstoken van ons pleizier. Overal willen wij de sporen achterlaten van onze vreugd; Want dit is ons deel, en dit komt ons toe.
10Wij willen den armen vrome verdrukken, geen weduwe sparen, Noch het witte haar van den hoogbejaarden grijsaard ontzien.
11Onze kracht zal de maatstaf zijn van wat recht is; Want het zwakke bewijst zijn eigen nutteloosheid.
12Wij willen den vrome belagen, want hij is ons tot last, En verzet zich tegen ons doen. Hij beschuldigt ons van wetsovertreding, En verwijt ons, dat wij misdoen tegen de tucht.
13Hij beroemt er zich op, kennis van God te bezitten, En noemt zichzelf een kind van den Heer.
14Hij is ons een aanklacht van onze gezindheid, Reeds zijn aanblik strekt ons tot last;
15Want zijn leven wijkt af van dat der anderen, Zijn wegen zijn geheel verschillend.
16Wij gelden voor hem als valse munt, Hij mijdt onze wegen als drek; Het einde der rechtvaardigen prijst hij gelukkig, En trots noemt hij God zijn vader.
17Wij willen eens zien, of zijn woorden waar zijn, En de proef nemen, hoe het wel met hem afloopt.
18Want is de rechtvaardige Gods zoon, dan zal Hij hem helpen, En uit de hand van zijn vijanden redden.
19Met smaad en mishandeling zullen wij hem beproeven, Om zijn zachtmoedigheid te zien, zijn geduld te toetsen.
20Wij willen hem veroordelen tot een schandelijke dood; Want hij wordt toch gered, zo beweert hij.
21Zo denken ze, maar ze dwalen; Want hun boosheid maakt hen blind;
22Ze hebben geen begrip van Gods geheimen, Verwachten geen loon voor heiligheid, En geloven niet in een kroon voor vlekkeloze zielen.
23Toch heeft God den mens geschapen voor onsterfelijkheid, En hem gemaakt als een beeld van zijn Wezen.
24Maar de afgunst van den duivel bracht de dood in de wereld;
25Die hèm toebehoren, zullen hem smaken.
Wijsheid 2
1Want deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.
2Want bij geval zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons hart.
3Welke uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid gelijk de wijde lucht.
4En onze naam wordt mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.
5Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, en daar is geen wederkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand keert weder.
6Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, en hetgeen wij bezitten metterhaast gebruiken, gelijk in de jeugd.
7Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.
8Laat ons ons kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.
9Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan onze vermetelheid; laat ons overal merktekenen der weelde laten, want dit is ons deel, en dit is ons lot.
10Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige haren des ouden niet ontzien.
11Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.
12Laat ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden onzer wandeling.
13Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.
14Hij is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.
15Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans andere.
16Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.
17Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst hij hebben zal.
18Want indien de rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.
19Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat wij zijn bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven.
20Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden, gelijk hij zegt.
21Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.
22Zij verstaan de verborgenheden Gods niet, en hebben het loon der heiligheid niet te hopen, en achten de eer der onbestraffelijke zielen niet.
23Want God heeft de mens geschapen tot onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur.
24Maar door des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 2
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 2 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 2:16
"Wij gelden voor hem als valse munt, Hij mijdt onze wegen als drek; Het einde der rechtvaardigen prijst hij gelukkig, En trots noemt hij God zijn vader."
"Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is."





