Wijsheid 19 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 19
1Maar tegen de goddelozen woedde de gramschap Meedogenloos ten einde toe. Want Hij wist reeds tevoren, hoe ze zich zouden gedragen:
2Hoe ze hun eerst zouden toestaan, weg te trekken, Zelfs zouden aandringen, heen te gaan, Maar dan, door spijt gedreven, hen zouden vervolgen.
3Ja, nog waren ze bezig met rouwbetoon, Nog klaagden ze hun leed aan het graf van hun doden, Of ze namen reeds een ander, een dwaas besluit, En gingen als vluchtelingen achtervolgen, Die zij hadden gesmeekt om heen te gaan.
4Want een welverdiend noodlot dreef hen tot dit uiterste, En deed hen vergeten, wat er gebeurd was: Zij moesten de straf ten volle ondergaan, Die nog aan hun kwelling ontbrak;
5Maar uw volk moest een wondere doortocht bekomen, Terwijl de anderen een ongewone dood zouden vinden.
6Want heel de schepping werd in haar natuur hervormd, Om dienstbaar te zijn aan uw bevelen, Opdat uw kinderen zonder letsel zouden worden behouden.
7De wolk overschaduwde hun legerplaats, Droog land zag men oprijzen, waar vroeger water was: Een heerbaan zonder hindernis door de Rode Zee, Een groenend veld uit de geweldige vloed!
8Heel het volk trok er doorheen, Beschermd door uw hand, En aanschouwde vol verbazing uw wonderen.
9Want zij waren als paarden, die ter weide gaan, Als huppelende lammeren, En loofden U, Heer, die hen had gered.
10Zo dachten zij terug aan wat in het vreemde land was gebeurd: Hoe niet uit levende wezens, maar uit de aarde muggen kwamen, Hoe niet de waterdieren, maar de Nijl kikvorsen spuwde.
11Later zagen zij ook vogels op nieuwe wijze ontstaan, Toen zij uit zinnelust om lekkere spijzen vroegen;
12Want om hun lust te voldoen, stegen er kwakkels op uit de zee.
13En de straffen kwamen niet over de zondaars Zonder voorafgaande tekenen door felle bliksems. Het was immers billijk, dat ze leden voor hun boze daden, Daar ze de vreemdelingen vreselijk hadden gehaat.
14Want terwijl anderen slechts onbekenden gastvrijheid weigerden, Hadden zij gasten, die weldoeners waren, tot slaven gemaakt.
15Bovendien, voor de anderen is er nog een zekere verschoning, Daar zij de vreemdelingen aanstonds vijandig ontvingen;
16Maar dezen namen hen eerst met vreugde op, En gaven hun dezelfde rechten, Doch verdrukten hen later met slavenwerk.
17Daarom werden ook zij als met blindheid geslagen, Zoals die anderen aan de deur van den rechtvaardige, Toen ieder, in dichte duisternis gehuld, De toegang zocht naar zijn eigen deur.
18Zo toonden de elementen zich telkens weer anders, Zoals bij een citer de tonen de aard van het rythme veranderen, Al behouden zij altijd dezelfde klank; Uit de feiten kan men dat duidelijk zien.
19Want landdieren werden veranderd in waterdieren, En zwemmende dieren kwamen over het land;
20Het vuur kreeg in het water nog groter kracht, En het water vergat zijn macht, om te blussen.
Wijsheid 19
1Maar de toorn overviel de goddelozen zonder ontferming tot aan het einde.
2Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.
3Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.
4Want de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.
5En opdat uw volk een zeer wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.
6Want het gehele schepsel werd in zijn aard wederom van nieuws herschapen, dienende uw bijzondere geboden; en opdat uw kinderen zouden onbeschadigd bewaard zijn, overschaduwde de wolk de legerplaats.
7En waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.
8Waardoor al het volk overging, die met uw hand beschermd werden, en zagen wonderlijke wonderwerken.
9Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.
10Want zij waren nog gedachtig de dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.
11En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.
12Want tot hun troost kwamen kwakkelen op uit de zee; doch de straffen kwamen over de zondaars;
13Niet zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor hun eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder vijandschap tegen vreemdelingen geoefend hadden als die van Sodom; want dezen namen de onbekenden die daar kwamen niet aan, maar genen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun weldaden bewezen hadden.
14En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.
15En zij plaagden met zware arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds medegenoten waren van hun rechten.
16Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.
17Want de elementen worden gevoegelijk door zichzelf veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken der dingen die geschied zijn.
18Want de land-dieren veranderen in water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde.
19Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende natuur.
20Wederom de vlammen verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve, en die als ijs licht smeltende hemelse spijs versmolt niet.
21Want, Here, in allen hebt gij uw volk groot en heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te allen tijde en in alle plaatsen bij te staan.
22
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 19
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 19 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 19:16
"Maar dezen namen hen eerst met vreugde op, En gaven hun dezelfde rechten, Doch verdrukten hen later met slavenwerk."
"Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur."





