Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Wijsheid 9 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Wijsheid 9

1God der vaderen, barmhartige Heer, Die door uw woord het heelal hebt geschapen,

2En door uw wijsheid den mens hebt gevormd, Opdat hij zou heersen over uw schepping,

3Heilig en rechtvaardig de wereld besturen, En rechtzinnig van hart zou regeren:

4Verleen mij de wijsheid, die op uw troon is gezeten, En sluit mij niet buiten de kring uwer kinderen.

5Ik ben toch uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd, Een mens vol zwakheid en kortstondig van leven, Die weinig begrip heeft van recht en van wetten.

6Ja, al is iemand ook de volmaaktste der mensen, Zonder uw wijsheid geldt hij voor niets;

7Toch hebt Gijzelf mij verkoren tot koning van uw volk, Tot vorst van uw zonen en dochters.

8Gij liet mij een tempel bouwen op uw heilige berg, En een altaar in de stad, waar Gij woont, Als een beeld van de heilige tent, Die Gij van de aanvang af hebt bereid.

9Bij U toch is de wijsheid, die uw werken kent, Die tegenwoordig was, toen Gij de wereld schiept; Die weet, wat behaaglijk is in uw ogen En wat recht is naar uw geboden.

10Zend haar neer uit de heilige hemel, En doe haar uitgaan van de troon uwer glorie, Opdat zij mij ter zijde sta bij mijn werken, En ik moge weten, wat U behaagt.

11Zij toch weet alles en begrijpt alles; Zij zal mij beleidvol bij mijn daden besturen, En mij beschermen door haar glorie.

12Dan zullen mijn werken welbehaaglijk zijn, Zal ik uw volk rechtvaardig besturen, En de troon van mijn vader waardig zijn.

13Want wie van de mensen zou Gods wil kunnen kennen; Wie achterhalen, wat de Heer verlangt?

14De gedachten der stervelingen zijn immers weifelend, En onzeker onze berekeningen.

15Want het sterfelijk lichaam is een last voor de ziel, De aardse tent belemmert de geest bij het denken;

16Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde, Zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite. Wie zal dan de dingen des hemels doorgronden,

17Wie uw wil kunnen kennen, Als Gij geen wijsheid zoudt schenken, Niet van boven uw heilige geest zoudt zenden?

18Zo alleen vinden de bewoners der aarde rechte paden, Leren de mensen wat U welgevallig is, En worden zij gered door de wijsheid.

19

Wijsheid 9

1O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord,

2En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

3En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.

4Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen zit, en verwerp mij niet uit uw kinderen.

5Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.

6Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.

7Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.

8Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.

9Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.

10Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.

11Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.

12En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig richten, en zal waardig zijn de troon mijns vaders.

13Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie kan bedenken wat God wil?

14Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.

15Want het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.

16En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?

17En wie heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.

18En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is. [9:19] En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.

Wijsheid 9

1God der vaderen, barmhartige Heer, Die door uw woord het heelal hebt geschapen,

2En door uw wijsheid den mens hebt gevormd, Opdat hij zou heersen over uw schepping,

3Heilig en rechtvaardig de wereld besturen, En rechtzinnig van hart zou regeren:

4Verleen mij de wijsheid, die op uw troon is gezeten, En sluit mij niet buiten de kring uwer kinderen.

5Ik ben toch uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd, Een mens vol zwakheid en kortstondig van leven, Die weinig begrip heeft van recht en van wetten.

6Ja, al is iemand ook de volmaaktste der mensen, Zonder uw wijsheid geldt hij voor niets;

7Toch hebt Gijzelf mij verkoren tot koning van uw volk, Tot vorst van uw zonen en dochters.

8Gij liet mij een tempel bouwen op uw heilige berg, En een altaar in de stad, waar Gij woont, Als een beeld van de heilige tent, Die Gij van de aanvang af hebt bereid.

9Bij U toch is de wijsheid, die uw werken kent, Die tegenwoordig was, toen Gij de wereld schiept; Die weet, wat behaaglijk is in uw ogen En wat recht is naar uw geboden.

10Zend haar neer uit de heilige hemel, En doe haar uitgaan van de troon uwer glorie, Opdat zij mij ter zijde sta bij mijn werken, En ik moge weten, wat U behaagt.

11Zij toch weet alles en begrijpt alles; Zij zal mij beleidvol bij mijn daden besturen, En mij beschermen door haar glorie.

12Dan zullen mijn werken welbehaaglijk zijn, Zal ik uw volk rechtvaardig besturen, En de troon van mijn vader waardig zijn.

13Want wie van de mensen zou Gods wil kunnen kennen; Wie achterhalen, wat de Heer verlangt?

14De gedachten der stervelingen zijn immers weifelend, En onzeker onze berekeningen.

15Want het sterfelijk lichaam is een last voor de ziel, De aardse tent belemmert de geest bij het denken;

16Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde, Zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite. Wie zal dan de dingen des hemels doorgronden,

17Wie uw wil kunnen kennen, Als Gij geen wijsheid zoudt schenken, Niet van boven uw heilige geest zoudt zenden?

18Zo alleen vinden de bewoners der aarde rechte paden, Leren de mensen wat U welgevallig is, En worden zij gered door de wijsheid.

19

Wijsheid 9:1
NlCanisius1939

God der vaderen, barmhartige Heer, Die door uw woord het heelal hebt geschapen,

DutSVVA

O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord,

2
NlCanisius1939

En door uw wijsheid den mens hebt gevormd, Opdat hij zou heersen over uw schepping,

DutSVVA

En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

3
NlCanisius1939

Heilig en rechtvaardig de wereld besturen, En rechtzinnig van hart zou regeren:

DutSVVA

En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.

4
NlCanisius1939

Verleen mij de wijsheid, die op uw troon is gezeten, En sluit mij niet buiten de kring uwer kinderen.

DutSVVA

Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen zit, en verwerp mij niet uit uw kinderen.

5
NlCanisius1939

Ik ben toch uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd, Een mens vol zwakheid en kortstondig van leven, Die weinig begrip heeft van recht en van wetten.

DutSVVA

Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.

6
NlCanisius1939

Ja, al is iemand ook de volmaaktste der mensen, Zonder uw wijsheid geldt hij voor niets;

DutSVVA

Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.

7
NlCanisius1939

Toch hebt Gijzelf mij verkoren tot koning van uw volk, Tot vorst van uw zonen en dochters.

DutSVVA

Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.

8
NlCanisius1939

Gij liet mij een tempel bouwen op uw heilige berg, En een altaar in de stad, waar Gij woont, Als een beeld van de heilige tent, Die Gij van de aanvang af hebt bereid.

DutSVVA

Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.

9
NlCanisius1939

Bij U toch is de wijsheid, die uw werken kent, Die tegenwoordig was, toen Gij de wereld schiept; Die weet, wat behaaglijk is in uw ogen En wat recht is naar uw geboden.

DutSVVA

Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.

10
NlCanisius1939

Zend haar neer uit de heilige hemel, En doe haar uitgaan van de troon uwer glorie, Opdat zij mij ter zijde sta bij mijn werken, En ik moge weten, wat U behaagt.

DutSVVA

Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.

11
NlCanisius1939

Zij toch weet alles en begrijpt alles; Zij zal mij beleidvol bij mijn daden besturen, En mij beschermen door haar glorie.

DutSVVA

Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.

12
NlCanisius1939

Dan zullen mijn werken welbehaaglijk zijn, Zal ik uw volk rechtvaardig besturen, En de troon van mijn vader waardig zijn.

DutSVVA

En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig richten, en zal waardig zijn de troon mijns vaders.

13
NlCanisius1939

Want wie van de mensen zou Gods wil kunnen kennen; Wie achterhalen, wat de Heer verlangt?

DutSVVA

Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie kan bedenken wat God wil?

14
NlCanisius1939

De gedachten der stervelingen zijn immers weifelend, En onzeker onze berekeningen.

DutSVVA

Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.

15
NlCanisius1939

Want het sterfelijk lichaam is een last voor de ziel, De aardse tent belemmert de geest bij het denken;

DutSVVA

Want het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.

16
NlCanisius1939

Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde, Zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite. Wie zal dan de dingen des hemels doorgronden,

DutSVVA

En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?

17
NlCanisius1939

Wie uw wil kunnen kennen, Als Gij geen wijsheid zoudt schenken, Niet van boven uw heilige geest zoudt zenden?

DutSVVA

En wie heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.

18
NlCanisius1939

Zo alleen vinden de bewoners der aarde rechte paden, Leren de mensen wat U welgevallig is, En worden zij gered door de wijsheid.

DutSVVA

En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is. [9:19] En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.

19
NlCanisius1939

DutSVVA

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 9

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 9 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Wijsheid 9:16

NlCanisius1939

"Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde, Zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite. Wie zal dan de dingen des hemels doorgronden,"

DutSVVA

"En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?"

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward