Wijsheid 6 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Wijsheid 6
1Hoort dan, koningen, en luistert, Geeft acht, gij, die geheel de aarde bestuurt;
2Leent uw oor, gij, die heerst over velen, En groot gaat op het getal uwer onderdanen!
3Want uw macht werd u gegeven door den Heer, En uw heerschappij door den Allerhoogste. Hij zal uw daden nagaan en uw plannen doorvorsen;
4Want ofschoon gij dienaren van zijn koningschap zijt, Hebt gij niet recht geregeerd, niet de wet onderhouden, En niet gewandeld naar Gods wil.
5Vol verschrikking treedt Hij weldra tegen u op; Want hooggeplaatsten wacht een zeer streng gericht.
6De mindere toch verdient vergeving en medelijden, Maar de meerdere wordt des te strenger gestraft.
7Ja, Hij, die de Heer is van allen, vreest niemand, Voor geen grootheid is Hij beducht; Want groot en klein heeft Hij geschapen, Hij zorgt op gelijke wijze voor allen:
8Maar de machtigen wacht eens een streng onderzoek.
9Tot u dus, vorsten, zijn mijn woorden gericht, Opdat gij wijsheid leert en niet ten val komt.
10Want wie het heilige heilig behandelt, wordt heilig, En wie dit geleerd heeft, kan verantwoording geven.
11Luistert dus gretig naar mijn woorden, Hoort ze verlangend aan; dan wordt gij wijs.
12Schoon is de wijsheid, nimmer verwelkt zij; Wie haar beminnen, krijgen haar gemakkelijk te zien. Wie haar zoeken, zullen haar vinden;
13Zij voorkomt zelfs die wens, en vertoont zich het eerst.
14Wie vroeg om haar opstaat, behoeft zich niet te vermoeien; Want hij vindt haar zitten voor zijn deur.
15Naar haar te verlangen is het toppunt van doorzicht, En wie zich geen slaap om haar gunt, is dra zonder zorgen;
16Want zelf gaat zij rond en zoekt, wie haar waard zijn, Vertoont zich vriendelijk aan hen op hun wegen, En treedt hun tegemoet bij iedere gedachte.
17Want haar aanvang is oprecht verlangen naar tucht,
18En verlangen naar tucht is liefde; Liefde is het onderhouden van haar geboden, Het onderhouden der geboden onderpand van onsterfelijkheid,
19En onsterfelijkheid brengt in de nabijheid van God:
20Zo voert het verlangen naar wijsheid tot het koningschap!
21Als dus tronen en schepters u behagen, vorsten der volken, Eert dan de wijsheid, om voor eeuwig koning te zijn.
22Ik wil u verkonden, wat wijsheid is, en hoe zij ontstond; Ik wil u niet haar geheimen verbergen, Maar haar spoor volgen sinds het begin van haar wording; Ik wil haar kennis aan het licht doen treden, En in geen enkel opzicht de waarheid voorbijgaan.
23Ik wil mij ook niet laten leiden door verterende afgunst, Want die gaat met wijsheid niet samen;
24Maar een groot getal wijzen is de redding der wereld, En een verstandig vorst de welvaart van zijn volk.
25Laat u dus door mijn woorden onderrichten, En gij zult er uw voordeel bij vinden.
26
27
Wijsheid 6
1Hoort dan gij koningen en verstaat; leert gij rechters van de einden der aarde,
2Laat dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de scharen der volken.
3Want de heerschappij is u door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal.
4Omdat gij dienaars zijnde van zijn koninkrijk niet recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de raad Gods hebt gewandeld.
5Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.
6Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden.
7Want de Here van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt hij voor allen.
8Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen.
9Tot ulieden dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij wijsheid leren zoudt en niet vervallen.
10Want die heilig heilige dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden.
11Zo zijt dan begerig naar mijn woorden, verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen worden.
12Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.
13Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden.
14Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten.
15Want aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn.
16Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.
17Want haar beginsel is de ware begeerte der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden is liefde,
18En de liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,
19En de onverderfelijkheid maakt dat men nabij God is.
20Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt tot het koninkrijk.
21Indien gij dan behagen hebt, gij koningen der volken, in tronen en scepters, zo eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen moogt regeren.
22Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.
23En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben.
24Maar de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks welstand.
25Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Wijsheid 6
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Wijsheid 6 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Wijsheid 6:16
"Want zelf gaat zij rond en zoekt, wie haar waard zijn, Vertoont zich vriendelijk aan hen op hun wegen, En treedt hun tegemoet bij iedere gedachte."
"Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen."





