Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Prediker 10 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Prediker 10

1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.

2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.

3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!

4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.

5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.

6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;

7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.

8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.

9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.

10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.

11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.

12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.

13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;

14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?

15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.

16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.

17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.

18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.

19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.

20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.

Prediker 10

1Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.

2Het hart des wijzen is tot zijn rechter hand, maar het hart eens zots is tot zijn linkerhand.

3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.

5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.

6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

10Indiën hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.

11Indiën de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.

12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelven.

13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?

15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

16Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!

17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

19Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

20Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.

Prediker 10

1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.

2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.

3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!

4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.

5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.

6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;

7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.

8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.

9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.

10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.

11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.

12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.

13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;

14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?

15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.

16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.

17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.

18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.

19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.

20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.

Prediker 10:1
NlCanisius1939

Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.

DutSVVA

Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.

2
NlCanisius1939

Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.

DutSVVA

Het hart des wijzen is tot zijn rechter hand, maar het hart eens zots is tot zijn linkerhand.

3
NlCanisius1939

Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!

DutSVVA

En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

4
NlCanisius1939

Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.

DutSVVA

Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.

5
NlCanisius1939

Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.

DutSVVA

Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.

6
NlCanisius1939

De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;

DutSVVA

Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

7
NlCanisius1939

Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.

DutSVVA

Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

8
NlCanisius1939

Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.

DutSVVA

Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

9
NlCanisius1939

Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.

DutSVVA

Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

10
NlCanisius1939

Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.

DutSVVA

Indiën hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.

11
NlCanisius1939

En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.

DutSVVA

Indiën de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.

12
NlCanisius1939

Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.

DutSVVA

De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelven.

13
NlCanisius1939

Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;

DutSVVA

Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

14
NlCanisius1939

Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?

DutSVVA

De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?

15
NlCanisius1939

De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.

DutSVVA

De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

16
NlCanisius1939

Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.

DutSVVA

Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!

17
NlCanisius1939

Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.

DutSVVA

Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

18
NlCanisius1939

Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.

DutSVVA

Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

19
NlCanisius1939

Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.

DutSVVA

Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

20
NlCanisius1939

Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.

DutSVVA

Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Prediker 10

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Prediker 10 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Prediker 10:16

NlCanisius1939

"Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen."

DutSVVA

"Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!"

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward