Jesaja 3 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)
Jesaja 3
1Want zie, de Heer, Jahweh der heirscharen, Neemt van Jerusalem weg en van Juda Alle steun en alle stut, Alle verkwikking van brood en van water;
2Held, krijgsman en rechter, Profeet, waarzegger en oudste,
3Hoofdman, adel en raadsheer, Tovenaar en bezweerder.
4Tot vorsten stel Ik knapen aan, En kinderen zullen over hen heersen:
5Dan zal het volk beginnen te vechten, Man tegen man, En vriend tegen vriend; Kwajongens vallen grijsaards aan, En vlegels mannen van aanzien;
6Ja, de ene broer stormt los op den ander! De eigen familie zal zeggen: Gij hebt nog een mantel; Wees dus ons hoofd, En neem deze puinen onder uw hoede.
7Maar de ander schreeuwt het uit op die dag: Ik wil de meester niet zijn, Ik heb geen brood en geen kleren in huis; Plaats mij niet aan het hoofd van het volk!
8Ja, Jerusalem wankelt, En Juda valt! Want hun woord en hun daden zijn tegen Jahweh gericht, Om de blik van zijn Majesteit te tarten.
9Hun onbeschaamd gezicht klaagt ze aan, Als Sodoma lopen ze openlijk met hun zonden te koop: Wee over hen; Want ze bereiden hun eigen verderf!
10Heil den rechtvaardige, want hém gaat het goed: Hij eet de vrucht van zijn werken;
11Maar wee den boze, want hèm gaat het slecht: Hij zal krijgen wat hij verdiende.
12Mijn volk wordt door uitzuigers verdrukt, En door afpersers gedrild; Mijn volk: die u leiden, zijn uw misleiders, Die u de weg moeten wijzen, laten u dolen.
13Daar richt Jahweh zich op, om vonnis te vellen, Staat gereed, om zijn volk te gaan richten;
14Daar komt Jahweh ten oordeel Tegen de oudsten, tegen de vorsten van zijn volk: Gij hebt de wijngaard gestolen, De buit der armen in uw huizen gesleept;
15Met welk recht vertrapt ge mijn volk, verschopt ge den arme, Is de godsspraak des Heren, van Jahweh der heirscharen!
16En Jahweh spreekt: Omdat de dochters van Sion zo trots zijn, Rondlopen met het hoofd in de nek, En met lonkende ogen, Met trippelende pasjes, Met rinkelende ringen aan haar voeten:
17Daarom scheert de Heer de schedel van Sions dochters kaal, Zal Jahweh haar schaamte ontbloten.
18Op die dag neemt Jahweh de sieraden weg: Voetringen, zonnen en maantjes,
19Oorbellen, ketens en sluiers,
20Hoofddoeken, armbanden, linten en flesjes,
21Amuletten, halssnoer en ringen,
22Feestkleren, mantels en doeken,
23Tasjes en spiegels, Kapsels, mutsen en sjaals.
24En dan zal het wezen: In plaats van balsemgeur, stank: Voor gordel, een strop; Voor haarvlechten, schurft; Voor statie, een zak; Voor schoonheid, een brandmerk!
25Uw mannen zullen vallen door het zwaard, Uw helden door krijg;
26Dan zullen ze klagen en rouwen onder haar poorten, En eenzaam zitten op de grond.
Jesaja 3
1Want ziet, de Heere, Heere der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;
2Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;
3Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.
4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
5En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.
6Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
7Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.
8Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en zijn handelingen tegen den Heere zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.
9Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
10Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.
11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
12De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.
13De Heere stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
14De Heere komt ten gerichte tegen de oudsten Zijns volks en deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; de roof des ellendigen is in uwe huizen.
15Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, Heere der heirscharen.
16Verder zegt de Heere: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
17Zo zal de Heere den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de Heere zal haar schaamte ontbloten.
18Ten zelfden dage zal de Heere wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes,
19De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,
20De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,
21De ringen en de voorhoofdsierselen,
22De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,
23De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.
24En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
25Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.
26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.
Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Jesaja 3
Canisius 1939 (NlCanisius1939)
Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.
Statenvertaling (Apocriefe)
De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.
You are viewing a side-by-side comparison of Jesaja 3 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.
Key Comparison: Jesaja 3:16
"En Jahweh spreekt: Omdat de dochters van Sion zo trots zijn, Rondlopen met het hoofd in de nek, En met lonkende ogen, Met trippelende pasjes, Met rinkelende ringen aan haar voeten:"
"Verder zegt de Heere: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren."





