Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking

Jesaja 24 Comparison: Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe)

chevron_leftchevron_right

Jesaja 24

1Zie, Jahweh ontvolkt En vernielt de aarde; Hij keert haar onderstboven, Verstrooit haar bewoners!

2Het zal den priester vergaan als het volk, Den slaaf als zijn meester, Slavin als gebiedster, Verkoper als koper, Borger als lener, Schuldeiser als schuldenaar.

3Ja, de aarde wordt geheel ontvolkt, En schoongebezemd heel en al; Want Jahweh heeft het gezegd, Dit woord gesproken.

4De aarde treurt en verkwijnt, De wereld verwelkt en versmacht, De hemel vergaat met de aarde.

5Want de aarde is onder haar bewoners bezoedeld: Ze hebben de wet overtreden, de geboden verkracht, Verbroken het eeuwig verbond.

6Daarom verslindt de vervloeking de aarde, En moeten haar bewoners het boeten; De bewoners der aarde worden verteerd, Weinig mensen blijven er over.

7De wijntros kwijnt, de wingerd versmacht, Wat dartel is, zucht;

8Het gejubel der pauken verstomt, Weg is het vrolijk gejoel, het juichen der citers;

9Men drinkt geen wijn meer bij gezang, De drank smaakt bitter aan den drinker.

10De steden liggen in puin en verlaten, Alle huizen gesloten, versperd;

11In de straten gejammer om wijn, Weg alle vreugd en blijdschap op aarde!

12In de steden zijn enkel puinhopen over, De poorten liggen vertrapt en verbrijzeld.

13Ja, zó zal het wezen op aarde Te midden der volken: Als na het afslaan van de olijven, Als bij ‘t nalezen op het eind van de oogst!

14Dan zal men jubelen, En de grootheid van Jahweh bezingen! Men juicht in het westen,

15Tot aan de grens van het oosten: Brengt eer aan Jahweh Op de kusten der zee, Aan de Naam van Jahweh, Israëls God!

16En van het einde der aarde horen wij zingen: Glorie den vrome! Maar er wordt ook geroepen: Ik ben verloren, Wee mij, verloren! De afvalligen vallen, De verraders storten verraderlijk neer.

17Verschrikking, kuilen en strikken Voor u, bewoners der aarde.

18Wie de verschrikking ontvlucht, Hij valt in de kuil; Wie de kuil nog ontsnapt, Wordt in de strikken gevangen! Ja, de sluizen des hemels Staan boven al open. De fundamenten der aarde worden geschokt;

19De aarde gaat splijten en bersten, Versplintert en scheurt, Wankelt en tuimelt,

20Waggelt als een beschonkene, Sliert heen en weer als een hangmat. Haar misdaden drukken haar neer, Ze valt, en staat niet meer op.

21Op die dag zal Jahweh bestraffen Het hemels heir in de lucht, Met de vorsten der wereld op aarde.

22Ze worden gebonden, gesperd in een kuil, In een kerker gevangen, Voor lange tijden gestraft!

23De maan zal blozen, de zon zich schamen, Want Jahweh der heirscharen zal heersen als Koning Op de berg Sion, in Jerusalem; En voor zijn oudsten zal zijn heerlijkheid stralen!

Jesaja 24

1Ziet, de Heere maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en Hij keert deszelfs gestaltenis om, en Hij verstrooit zijn inwoners.

2En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de ontlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van welken hij woeker ontvangt.

3Dat land zal ganselijk ledig gemaakt worden, en het zal ganselijk beroofd worden; want de Heere heeft dit woord gesproken.

4Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kweelt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwelen.

5Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzettingen, zij vernietigen het eeuwig verbond.

6Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.

7De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.

8De vreugde der trommelen rust; het geluid der vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust.

9Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hem drinken.

10De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.

11Er is een klagelijk geroep op de straten, om des wijns wil; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren.

12Verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken.

13Want in het binnenste van het land, in het midden dezer volken, zal het alzo wezen, gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.

14Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des Heeren zullen zij juichen van de zee af.

15Daarom eert den Heere in de valleien, in de eilanden der zee den Naam des Heeren, des Gods van Israël.

16Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouwelooslijk.

17De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners des lands!

18En het zal geschieden, zo wie voor de stem der vreze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven.

19De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden.

20De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan.

21En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere bezoeking doen zal over de heirscharen des hogen in de hoogte, en over de koningen des aardbodems op den aardbodem.

22En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden.

23En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de Heere der heirscharen regeren zal op den berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn.

Jesaja 24

1Zie, Jahweh ontvolkt En vernielt de aarde; Hij keert haar onderstboven, Verstrooit haar bewoners!

2Het zal den priester vergaan als het volk, Den slaaf als zijn meester, Slavin als gebiedster, Verkoper als koper, Borger als lener, Schuldeiser als schuldenaar.

3Ja, de aarde wordt geheel ontvolkt, En schoongebezemd heel en al; Want Jahweh heeft het gezegd, Dit woord gesproken.

4De aarde treurt en verkwijnt, De wereld verwelkt en versmacht, De hemel vergaat met de aarde.

5Want de aarde is onder haar bewoners bezoedeld: Ze hebben de wet overtreden, de geboden verkracht, Verbroken het eeuwig verbond.

6Daarom verslindt de vervloeking de aarde, En moeten haar bewoners het boeten; De bewoners der aarde worden verteerd, Weinig mensen blijven er over.

7De wijntros kwijnt, de wingerd versmacht, Wat dartel is, zucht;

8Het gejubel der pauken verstomt, Weg is het vrolijk gejoel, het juichen der citers;

9Men drinkt geen wijn meer bij gezang, De drank smaakt bitter aan den drinker.

10De steden liggen in puin en verlaten, Alle huizen gesloten, versperd;

11In de straten gejammer om wijn, Weg alle vreugd en blijdschap op aarde!

12In de steden zijn enkel puinhopen over, De poorten liggen vertrapt en verbrijzeld.

13Ja, zó zal het wezen op aarde Te midden der volken: Als na het afslaan van de olijven, Als bij ‘t nalezen op het eind van de oogst!

14Dan zal men jubelen, En de grootheid van Jahweh bezingen! Men juicht in het westen,

15Tot aan de grens van het oosten: Brengt eer aan Jahweh Op de kusten der zee, Aan de Naam van Jahweh, Israëls God!

16En van het einde der aarde horen wij zingen: Glorie den vrome! Maar er wordt ook geroepen: Ik ben verloren, Wee mij, verloren! De afvalligen vallen, De verraders storten verraderlijk neer.

17Verschrikking, kuilen en strikken Voor u, bewoners der aarde.

18Wie de verschrikking ontvlucht, Hij valt in de kuil; Wie de kuil nog ontsnapt, Wordt in de strikken gevangen! Ja, de sluizen des hemels Staan boven al open. De fundamenten der aarde worden geschokt;

19De aarde gaat splijten en bersten, Versplintert en scheurt, Wankelt en tuimelt,

20Waggelt als een beschonkene, Sliert heen en weer als een hangmat. Haar misdaden drukken haar neer, Ze valt, en staat niet meer op.

21Op die dag zal Jahweh bestraffen Het hemels heir in de lucht, Met de vorsten der wereld op aarde.

22Ze worden gebonden, gesperd in een kuil, In een kerker gevangen, Voor lange tijden gestraft!

23De maan zal blozen, de zon zich schamen, Want Jahweh der heirscharen zal heersen als Koning Op de berg Sion, in Jerusalem; En voor zijn oudsten zal zijn heerlijkheid stralen!

Jesaja 24:1
NlCanisius1939

Zie, Jahweh ontvolkt En vernielt de aarde; Hij keert haar onderstboven, Verstrooit haar bewoners!

DutSVVA

Ziet, de Heere maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en Hij keert deszelfs gestaltenis om, en Hij verstrooit zijn inwoners.

2
NlCanisius1939

Het zal den priester vergaan als het volk, Den slaaf als zijn meester, Slavin als gebiedster, Verkoper als koper, Borger als lener, Schuldeiser als schuldenaar.

DutSVVA

En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de ontlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van welken hij woeker ontvangt.

3
NlCanisius1939

Ja, de aarde wordt geheel ontvolkt, En schoongebezemd heel en al; Want Jahweh heeft het gezegd, Dit woord gesproken.

DutSVVA

Dat land zal ganselijk ledig gemaakt worden, en het zal ganselijk beroofd worden; want de Heere heeft dit woord gesproken.

4
NlCanisius1939

De aarde treurt en verkwijnt, De wereld verwelkt en versmacht, De hemel vergaat met de aarde.

DutSVVA

Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kweelt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwelen.

5
NlCanisius1939

Want de aarde is onder haar bewoners bezoedeld: Ze hebben de wet overtreden, de geboden verkracht, Verbroken het eeuwig verbond.

DutSVVA

Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzettingen, zij vernietigen het eeuwig verbond.

6
NlCanisius1939

Daarom verslindt de vervloeking de aarde, En moeten haar bewoners het boeten; De bewoners der aarde worden verteerd, Weinig mensen blijven er over.

DutSVVA

Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.

7
NlCanisius1939

De wijntros kwijnt, de wingerd versmacht, Wat dartel is, zucht;

DutSVVA

De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.

8
NlCanisius1939

Het gejubel der pauken verstomt, Weg is het vrolijk gejoel, het juichen der citers;

DutSVVA

De vreugde der trommelen rust; het geluid der vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust.

9
NlCanisius1939

Men drinkt geen wijn meer bij gezang, De drank smaakt bitter aan den drinker.

DutSVVA

Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hem drinken.

10
NlCanisius1939

De steden liggen in puin en verlaten, Alle huizen gesloten, versperd;

DutSVVA

De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.

11
NlCanisius1939

In de straten gejammer om wijn, Weg alle vreugd en blijdschap op aarde!

DutSVVA

Er is een klagelijk geroep op de straten, om des wijns wil; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren.

12
NlCanisius1939

In de steden zijn enkel puinhopen over, De poorten liggen vertrapt en verbrijzeld.

DutSVVA

Verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken.

13
NlCanisius1939

Ja, zó zal het wezen op aarde Te midden der volken: Als na het afslaan van de olijven, Als bij ‘t nalezen op het eind van de oogst!

DutSVVA

Want in het binnenste van het land, in het midden dezer volken, zal het alzo wezen, gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.

14
NlCanisius1939

Dan zal men jubelen, En de grootheid van Jahweh bezingen! Men juicht in het westen,

DutSVVA

Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des Heeren zullen zij juichen van de zee af.

15
NlCanisius1939

Tot aan de grens van het oosten: Brengt eer aan Jahweh Op de kusten der zee, Aan de Naam van Jahweh, Israëls God!

DutSVVA

Daarom eert den Heere in de valleien, in de eilanden der zee den Naam des Heeren, des Gods van Israël.

16
NlCanisius1939

En van het einde der aarde horen wij zingen: Glorie den vrome! Maar er wordt ook geroepen: Ik ben verloren, Wee mij, verloren! De afvalligen vallen, De verraders storten verraderlijk neer.

DutSVVA

Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouwelooslijk.

17
NlCanisius1939

Verschrikking, kuilen en strikken Voor u, bewoners der aarde.

DutSVVA

De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners des lands!

18
NlCanisius1939

Wie de verschrikking ontvlucht, Hij valt in de kuil; Wie de kuil nog ontsnapt, Wordt in de strikken gevangen! Ja, de sluizen des hemels Staan boven al open. De fundamenten der aarde worden geschokt;

DutSVVA

En het zal geschieden, zo wie voor de stem der vreze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven.

19
NlCanisius1939

De aarde gaat splijten en bersten, Versplintert en scheurt, Wankelt en tuimelt,

DutSVVA

De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden.

20
NlCanisius1939

Waggelt als een beschonkene, Sliert heen en weer als een hangmat. Haar misdaden drukken haar neer, Ze valt, en staat niet meer op.

DutSVVA

De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan.

21
NlCanisius1939

Op die dag zal Jahweh bestraffen Het hemels heir in de lucht, Met de vorsten der wereld op aarde.

DutSVVA

En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere bezoeking doen zal over de heirscharen des hogen in de hoogte, en over de koningen des aardbodems op den aardbodem.

22
NlCanisius1939

Ze worden gebonden, gesperd in een kuil, In een kerker gevangen, Voor lange tijden gestraft!

DutSVVA

En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden.

23
NlCanisius1939

De maan zal blozen, de zon zich schamen, Want Jahweh der heirscharen zal heersen als Koning Op de berg Sion, in Jerusalem; En voor zijn oudsten zal zijn heerlijkheid stralen!

DutSVVA

En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de Heere der heirscharen regeren zal op den berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn.

Understanding Canisius 1939 vs Statenvertaling (Apocriefe) in Jesaja 24

Canisius 1939 (NlCanisius1939)

Katholieke vertaling door Petrus Canisius uit 1939.

Statenvertaling (Apocriefe)

De Statenvertaling met Apocriefen uit 1637.

You are viewing a side-by-side comparison of Jesaja 24 in the Canisius 1939 and Statenvertaling (Apocriefe). Comparing these two versions can help shed light on the nuances of the original text.

Key Comparison: Jesaja 24:16

NlCanisius1939

"En van het einde der aarde horen wij zingen: Glorie den vrome! Maar er wordt ook geroepen: Ik ben verloren, Wee mij, verloren! De afvalligen vallen, De verraders storten verraderlijk neer."

DutSVVA

"Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouwelooslijk."

trending_upPopular Comparisons

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Psalmen 23

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Mattheüs 5

DutSVVA vs NlCanisius1939arrow_forward

Jesaja 53

auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward